Doorgaan naar hoofdcontent

Aanbevolen post

Inreisverbod voor studenten en kennismigranten opgeheven

Als de grenzen van een land open zijn voor Nederlandse toeristen en er gelden geen quarantainemaatregelen bij binnenkomst in dat land dan kan het reisadvies van ‘oranje’ (niet-noodzakelijk reizen) naar ‘geel’ (let op veiligheidsrisico’s) veranderen. Op dat moment geldt dan het advies dat reizen ook voor toeristische doeleinden weer tot de mogelijkheden behoort.Landen die al op oranje of rood stonden op basis van de veiligheidssituatie worden uiteraard niet afgeschaald als aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.
Daarnaast zijn de uitzonderingscategorieën waarvoor het inreisverbod nu geldt uitgebreid met personen uit derde landen die naar Nederland komen om te studeren of als kennismigrant waarbij het niet mogelijk is het werk van afstand te vervullen of dit uit te stellen. Ook zal voor personen die naar EU+ gebied reizen met EU/Schengen-nationaliteit of verblijfsrecht niet langer gelden dat deze reis als doel huiswaarts keren moet hebben.
Zie Kamerbrief met o.a. een lijst "veilige …

Wat moet je nu meerekenen bij de berekening of iemand langdurig ingezetene is? (uitspraak Raad van State)


LJN: BL1445, Raad van State , 200808772/1/V3







Datum uitspraak: 22-01-2010

Datum publicatie: 01-02-2010

Rechtsgebied: Vreemdelingen

Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd / Richtlijn 2003/109/EG / langdurig ingezetenen / vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf / juist geïmplementeerd

Gelet op de overwegingen 2.4.2. tot en met 2.4.4. is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de richtlijn deels onjuist is geïmplementeerd. Van een onjuiste toepassing van de richtlijn in de uitvoeringspraktijk is evenmin sprake. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het geval van de vreemdeling geen noodzaak bestaat om artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn rechtstreeks toe te passen en dat aan artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dient te worden getoetst. De vreemdeling heeft op 13 december 2006 een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen. Uit overweging 2.2. volgt dat zij in de periode van 1 juni 2006 tot 7 november 2006 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Nu deze verblijfstitel, gelet op overweging 2.4.3., dient te worden aangemerkt als een formeel beperkt verblijfsrecht, kan de duur daarvan niet worden meegeteld bij de berekening van de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde periode van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf direct voorafgaande aan de aanvraag. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit van 5 september 2007 in strijd met het recht heeft genomen. De grief slaagt in zoverre.











Uitspraak



200808772/1/V3.

Datum uitspraak: 22 januari 2010





Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK





Uitspraak op het hoger beroep van:



de staatssecretaris van Justitie,

appellant,



tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 november 2008 in zaak nr. 07/34865 in het geding tussen:



[de vreemdeling]



en



de staatssecretaris van Justitie.





1. Procesverloop



Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voor zover thans van belang, een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.



Bij besluit van 5 september 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.



Bij uitspraak van 6 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.



Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 december 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.



De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.



De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.





2. Overwegingen



2.1. Ingevolge artikel 249, derde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans na wijziging artikel 288, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.



Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de richtlijn) is deze niet van toepassing op onderdanen van derde landen die vluchteling zijn of een verzoek om erkenning als vluchteling hebben ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is gegeven.



Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn is deze niet van toepassing op onderdanen van derde landen die in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, bijvoorbeeld als au pair of als seizoensarbeider, of als gedetacheerd werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, of als verlener van grensoverschrijdende diensten, of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is.



Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de richtlijn kennen de lidstaten de status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven.



Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden perioden van verblijf voor de in artikel 3, tweede lid, onder e, vermelde redenen niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van het in het eerste lid bedoelde verblijf.



Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de richtlijn, voor zover thans van belang, verstrekken de lidstaten aan langdurig ingezetenen een EG verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.



Ingevolge artikel 8, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.



Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan, ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de richtlijn, de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling in de vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, dan wel een formeel beperkt verblijfsrecht.



Volgens paragraaf B1/7.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, ten tijde en voor zover thans belang, is van een formeel beperkt verblijfsrecht bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning. Van een formeel beperkt verblijfsrecht is ook sprake hangende bezwaar of beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen, alsmede hangende bezwaar of beroep tegen een intrekking van een verblijfsvergunning. Voor zover deze perioden uiteindelijk toch worden bestreken door een verblijfsvergunning, tellen deze alsnog mee. Dit is als regel het geval indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd alsnog met toepassing van artikel 26 van de Vw 2000 met ingang van de datum van de aanvraag wordt toegekend.



2.2. Op 4 februari 2002 is aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verrichten van arbeid in loondienst bij Universiteit Maastricht' verleend. De geldigheidsduur van deze vergunning is verlengd tot 9 mei 2004.

Op 6 mei 2004 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning in 'verrichten van arbeid in loondienst bij Universiteit Utrecht'.

Bij besluit van 23 maart 2005 is aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verrichten van arbeid in loondienst bij Universiteit Utrecht' verleend met ingang van 6 mei 2004. Deze vergunning was geldig tot 1 december 2005 en de geldigheidsduur daarvan is verlengd tot 1 juni 2006.

Op 3 november 2005 heeft de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingediend, die bij besluit van 3 mei 2006 is afgewezen.

Op 19 mei 2006 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder gelijktijdige wijziging van de aan die verblijfsvergunning verbonden beperking in 'verrichten van arbeid in loondienst bij Optiver Holding BV'.

Bij besluit van 24 november 2006 is aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid in loondienst bij Optiver Holding BV' verleend met ingang van 7 november 2006. Deze vergunning was geldig tot 31 mei 2007. De vreemdeling heeft geen gebruik gemaakt van de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen om op te komen tegen de datum met ingang waarvan deze verblijfsvergunning is verleend.

Op 13 december 2006 heeft de vreemdeling opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 20 juni 2007 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen en de bij besluit van 24 november 2006 verleende verblijfsvergunning verlengd tot 31 mei 2008.



2.3. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn voor een deel onjuist is geïmplementeerd in artikel 21 van de Vw 2000, omdat de term 'uitsluitend' in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, die mede betrekking heeft op de zinsnede 'in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is' in dit artikel, niet is overgenomen in artikel 21 van de Vw 2000. Daar komt bij dat in artikel 21 van de Vw 2000 de term 'verblijfsrecht' wordt gebruikt, terwijl in het desbetreffende artikel in de richtlijn de term 'verblijfsvergunning' staat. De stelling van de staatssecretaris dat uit het beleid blijkt dat met de zinsnede 'in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is' ook de situatie is bedoeld waarin een vreemdeling in afwachting is van het besluit op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning kan niet worden gevolgd, aangezien in tegenstelling tot artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, in onderdeel d van dit artikel wel uitdrukkelijk de situatie is genoemd waarin iemand een verzoek om erkenning als vluchteling heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is gegeven. Nu artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en nauwkeurig is en de richtlijn deels onjuist is geïmplementeerd, heeft dit artikel rechtstreekse werking, zodat de vreemdeling zich daarop kan beroepen. Aangezien zij enkel gedurende de periode van 1 juni 2006 tot 7 november 2006 en derhalve niet 'uitsluitend' niet in het bezit was van een verblijfsvergunning, is reeds daarom in haar geval geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn. Daarbij komt dat de vreemdeling gedurende de periode van 1 juni 2006 tot 7 november 2006 niet in het bezit was van een formeel beperkte verblijfsvergunning, maar in afwachting was van een besluit op de door haar ingediende aanvraag. Het standpunt van de staatssecretaris dat de richtlijn niet op de vreemdeling van toepassing is, kan reeds daarom niet worden gevolgd, aldus de rechtbank.



2.4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat het niet de bedoeling van de richtlijn kan zijn dat ook verblijf dat niet is gestoeld op enige verblijfsvergunning, onder de richtlijn valt, terwijl verscheidene vormen van tijdelijk verblijf, ook al is dit gestoeld op een verblijfsvergunning, uitdrukkelijk buiten het toepassingsbereik van de richtlijn zijn gehouden. Uit verscheidene in de richtlijn opgenomen bepalingen en met name artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de richtlijn is dat verblijf om redenen van tijdelijke aard wordt uitgezonderd. Het in afwachting van de beslissing op een aanvraag toegestane verblijf dat niet achteraf wordt gedekt door een verblijfsvergunning, is verblijf om redenen van tijdelijke aard dat niet onder de richtlijn valt.

Voorts wijst de staatssecretaris erop dat een richtlijn de lidstaten verplicht wettelijke bepalingen tot stand te brengen waarvan de inhoud beantwoordt aan de inhoud van de richtlijn. De ruimte die de richtlijn laat, kan door de nationale wetgever worden ingevuld, zolang deze invulling past binnen het door de richtlijn geboden kader. Dat in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de term 'formeel beperkt verblijfsrecht' wordt gebruikt, betekent niet dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn in zoverre onjuist is geïmplementeerd. Hetzelfde geldt voor het ontbreken van de term 'uitsluitend' in de nationale wetgeving.

De staatssecretaris voegt hieraan toe dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft gehecht aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de richtlijn. Daaruit mag niet worden afgeleid dat het mogen afwachten van beslissingen op aanvragen om verblijf voor verblijfsdoelen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, wel binnen het toepassingsbereik van de richtlijn valt, aldus de staatssecretaris.



2.4.1. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) moet ter bepaling van de werking van een richtlijn onderscheid worden gemaakt tussen correcte en incorrecte implementatie van de richtlijn. In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de particulieren via de door de betrokken lidstaat getroffen uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode, niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald (arrest van 19 januari 1982, zaak nr. 8/81, Jurispr. 1982, blz. 59 e.v. op blz. 70-71; Becker).



2.4.2. In de punten 21 en 22 van het arrest van 20 oktober 2005 in zaak nr. C 6/04 (Jurispr. blz. I-09017; Commissie/Verenigd Koninkrijk) heeft het Hof overwogen dat het vaste rechtspraak is dat de omzetting in nationaal recht van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze vereist dat de inhoud ervan formeel en letterlijk wordt overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling, doch dat, afhankelijk van de inhoud ervan, een algemene juridische context kan volstaan, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert. In dit verband moet in elk concreet geval de aard worden vastgesteld van de in de richtlijn opgenomen bepaling waarop het beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft, om vast te stellen hoe ver de omzettingsplicht van de lidstaten gaat, aldus het Hof.


Hieruit volgt dat het enkele feit dat in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de term 'uitsluitend' ontbreekt en de term 'verblijfsrecht' in plaats van 'verblijfsvergunning' is gebruikt, op zichzelf niet kan leiden tot het oordeel dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn deels onjuist geïmplementeerd is.



2.4.3. Volgens overweging 6 van de considerans van de richtlijn, voor zover thans van belang, is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen.

Het rechtmatige verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000, biedt, voor zover thans van belang, vreemdelingen de mogelijkheid de beslissing op een door hen ingediende aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland af te wachten. Dit verblijfsrecht eindigt op het moment dat op hun aanvraag wordt beslist en kan, naar zijn aard, niet worden verlengd. Het biedt vreemdelingen op zichzelf geen uitzicht op rechtmatig verblijf voor onbepaalde tijd en heeft niet ten doel aan hen de mogelijkheid te geven sterke banden met Nederland op te bouwen. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat dit een verblijf is als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, dat ingevolge artikel 4, tweede lid, van de richtlijn, niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de duur van het in het artikel 4, eerste lid, bedoelde verblijf. Gelet op de in artikel 288 van het VWEU vastgelegde bevoegdheid van lidstaten om de vorm en middelen te kiezen voor de uitvoering van een richtlijn in nationaal recht, binnen de door het Hof aangegeven grenzen, heeft de Nederlandse wetgever ervoor kunnen kiezen gevallen waarin een vreemdeling een verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 heeft, aan te merken als 'gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is' en in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de term 'formeel beperkt verblijfsrecht' te hanteren. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de volledige toepassing van de richtlijn in zoverre niet op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze is verzekerd.

Dat in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de richtlijn, voor zover thans van belang, gevallen waarin onderdanen van derde landen die een verzoek om erkenning als vluchteling hebben ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is gegeven, uitdrukkelijk worden uitgezonderd van toepassing van de richtlijn, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan daaruit op zichzelf niet worden afgeleid dat het verblijf in afwachting van een verblijfsvergunning regulier wel meetelt bij de berekening van de duur van het in het artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bedoelde verblijf, reeds omdat de opsomming van voorbeelden in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn niet uitputtend van aard is.



2.4.4. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris desgevraagd zijn standpunt dat het feit dat de term 'uitsluitend' niet in de nationale wetgeving is opgenomen, niet betekent dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn onjuist is geïmplementeerd, nader toegelicht. Daartoe heeft hij, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de richtlijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 567, nr. 3, blz. 18), gesteld dat de Nederlandse wetgever voor de interpretatie van het begrip 'verblijf van tijdelijke aard' aansluiting heeft gezocht bij de in artikel 3.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgesomde tijdelijke verblijfsdoelen. In die bepaling wordt het verblijf voor het volgen van studie aangemerkt als verblijf van tijdelijke aard. In artikel 4, tweede lid, van de richtlijn is evenwel bepaald dat perioden van verblijf in verband met een studie of een beroepsopleiding voor de helft meetellen bij de berekening van de duur van het in het eerste lid bedoelde verblijf. Om die reden heeft de wetgever de term 'uitsluitend' niet opgenomen in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aldus de staatssecretaris.

De staatssecretaris heeft hieraan toegevoegd dat het woord 'uitsluitend' in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn niet tot doel heeft om dit artikelo
nderdeel slechts van toepassing te achten, indien de desbetreffende vreemdeling gedurende de gehele periode als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn verblijf van tijdelijke aard heeft gehad.

Gelet op overweging 2.4.2., vereist de omzetting van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze dat de inhoud ervan formeel en letterlijk in het nationale recht wordt overgenomen. Van belang is of de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze is verzekerd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat daarvan door het weglaten van de term 'uitsluitend' geen sprake is. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, betekent het woord 'uitsluitend' in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn niet dat dit artikelonderdeel slechts van toepassing is, indien een vreemdeling gedurende de gehele in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bedoelde periode verblijf om redenen van tijdelijke aard heeft gehad. Uit de bewoordingen van artikel 4, tweede lid, van de richtlijn, volgt dat slechts van belang is of een vreemdeling in de vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag gedurende een of meer perioden een verblijfsrecht als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn heeft gehad. De duur van die perioden is niet van belang, laat staan dat die de volle vijf jaren zou moeten bedragen.



2.4.5. Gelet op de overwegingen 2.4.2. tot en met 2.4.4. is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de richtlijn deels onjuist is geïmplementeerd. Van een onjuiste toepassing van de richtlijn in de uitvoeringspraktijk is evenmin sprake. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het geval van de vreemdeling geen noodzaak bestaat om artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn rechtstreeks toe te passen en dat aan artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dient te worden getoetst.

De vreemdeling heeft op 13 december 2006 een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen. Uit overweging 2.2. volgt dat zij in de periode van 1 juni 2006 tot 7 november 2006 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Nu deze verblijfstitel, gelet op overweging 2.4.3., dient te worden aangemerkt als een formeel beperkt verblijfsrecht, kan de duur daarvan niet worden meegeteld bij de berekening van de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde periode van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf direct voorafgaande aan de aanvraag.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit van 5 september 2007 in strijd met het recht heeft genomen.

De grief slaagt in zoverre.



2.5. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen overigens in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 september 2007 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.



2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





3. Beslissing



De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State



Recht doende in naam der Koningin:



I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 november 2008 in zaak nr. 07/34865;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.





Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Laar, ambtenaar van Staat.


Bron: http://www.rechtspraak.nl/

Reacties

Beijing2008 zei…
Dus op grond dat eiser geen bezwaar heeft ingediend tegen de verlening van de verblijfsvergunning met onjuiste ingangsdatum, ontstaat een "verblijfsgat"?
Is dat niet in strijd met de geest van de wet?
Bovendien dienen lidstaten de implementatie van de Europese wetgeving rechtstreeks over te nemen,voor zover ik weet.
webmaster zei…
Nee Ton als je een fout niet aanvecht binnen de beroepstermijn dan staat hij in rechte vast. Dat is niet tegen de wet. Ook in het kader van de rechtszekerheid zou het gek zijn als mensen na jaren een situatie konden laten terugdraaien.

In de uitspraak staat dat er alleen rechtstreekse werking voor deze richtlijn is als hij niet goed is geimplementeerd. Zover ik weet verschilt dat per richtlijn.
Beijing2008 zei…
Deze reactie is verwijderd door de auteur.

Recente berichten


en meer

Populaire posts van de afgelopen 30 dagen

Coronavirus: Commission recommends partial and gradual lifting of travel restrictions to the EU after 30 June, based on common coordinated approach

Today the Commission recommends to Schengen Member States and Schengen Associated States to lift internal border controls by 15 June 2020 and to prolong the temporary restriction on non-essential travel into the EU until 30 June 2020; and sets out an approach to progressively lifting the restriction afterwards. Given that the health situation in certain third countries remains critical, the Commission does not propose a general lifting of the travel restriction at this stage. The restriction should be lifted for countries selected together by Member States, based on a set of principles and objective criteria including the health situation, the ability to apply containment measures during travel, and reciprocity considerations, taking into account data from relevant sources such as ECDC and WHO. For countries towards which the restriction remains in place, the Commission proposes to enlarge the categories of permitted travellers to include, for instance, international st…

"Hand out for migrants with a zoekjaar." by lawyer mr Kleijweg

A few weeks ago mr Kleijweg and I hosted a webinar for people who were here with a Searchyear permit. During the meeting it became clear that those former students were not always well informed about the benefits for them. A former student who has a Zoekjaar verblijfsvergunning (Seachyear permit) does not need those high salary amounts a normal highly qualifies migrant does AND the employer does not need a workpermit for the employee. So mr Kleijweg made a handout for those foreign students.
The basis of the migrationlaw in The Netherlands is the national interest. Only if there is a national interest, a residencepermit will be granted. For that reason there is the “High skilled migrants permit”. When you are granted the “zoekjaar” there is a special arrangement in place. During this “zoekjaar” you are allowed to do any job without salary threshold. See https://ind.nl/en/work/Pages/Looking-for-a-job-after-study-promotion-or-research.aspx. If you want to continue working after yo…

UITSPRAAK: De rechtbank vindt dat de IND Corona als smoes gebruikt

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder had al ruim voor de Coronacrisis intrad gevolg moeten geven aan de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2019. De uitspraak laat geen ruimte aan verweerder om anders dan binnen de in die uitspraak gestelde termijn op de asielaanvragen te beslissen. Verweerder wordt geacht er alles aan te doen de uitspraak van de rechtbank na te leven. De mededeling van verweerder dat het niet mogelijk is toezeggingen te doen omtrent de termijn waarbinnen in de voorliggende zaak kan worden beslist, vindt de rechtbank in het licht van de opdracht in de uitspraak van 26 september 2019 ongepast. Echter nu verweerder heeft aangegeven een aanvullend gehoor te willen houden draagt de rechtbank verweerder op uiterlijk binnen vier weken na verzending van deze uitspraak besluiten te nemen op de aanvragen.
Procesverloop Bij besluiten van 3 maart 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van
eisers tot het verlenen va…

Na bijna 50 jaar legaal verblijf wordt grote boef uitgezet! Raad van State uitspraak over toetsing 8 EVRM

201908940/1/V2.
Datum uitspraak: 1 juli 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 15 november 2019 in zaak nr. 19/1051 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken, de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluit van 11 februari 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard,…

VACATURE: (Senior) Adviseur De Immigratie- en Naturalisatiedienst

De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bij directie Strategie en Uitvoeringsadvies, afdeling Integraal Advies Regulier Verblijf en Nederlanderschap één vacature voor de functie van (Senior) Adviseur (schaal 11). Het betreft hier een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van ongeveer 10 maanden.
Je draagt bij aan de beantwoording van (beleids)vraagstukken op een deelterrein of bepaald aandachtsgebied van het vreemdelingenbeleid. Daartoe ontwikkel je, op basis van eigen analyse en onderzoek, adviesproducten voor jouw opdrachtgever. De adviesproducten hebben een integraal karakter. Dat wil zeggen dat je bij jouw advies aspecten hebt betrokken van aanpalende beleidsterreinen, dienstverlening, handhaving, IV en bedrijfsvoering. Jouw taak eindigt niet met het geven van advies. Je draagt bij aan de implementatie en uitvoering van het advies en monitort de effectiviteit van het advies en het adviesproces. Je stelt deze, waar nodig, bij indien dat leidt tot een verbetering v…

Uitspraak: Is plaatsing in een "Hufter-proof" AZC vrijheidsontneming?

Artikel 56 Vw-maatregel gekoppeld aan plaatsing in de nieuw geopende Handhavings- en toezichtlocatie in Hoogeveen. Vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming?

ECLI:NL:RBDHA:2020:4558
Instantie Rechtbank Den HaagDatum uitspraak 25-05-2020Datum publicatie 25-05-2020 Zaaknummer NL20.10089
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig


Het EHRM heeft in een aantal zaken het toetsingskader voor de beoordeling van deze rechtsvraag uiteengezet.

De rechtbank overweegt dat de uiterst beperkte oppervlakte van zone I en II, het fysiek afgesloten zijn van de buitenwereld, de mate en intensiteit van toezicht en het ontbreken van een bij wet bepaalde maximale duur van de maatregel ex artikel 56 Vw op zichzelf en zeker in onderlinge samenhang bezien zeer sterke aanwijzingen vormen dat de maatregel ex artikel 56 Vw, voor zover deze is gekoppeld aan plaatsing in de HTL, gekwalificeerd moet worden als vrijheidsontneming zoals bedoeld in artik…

VACATURE: International HR & Payroll Operations Associate Netherlands

Would you like to continue your career in a versatile Human Resource role?Would you be a perfect fit for a young, vibrant pan-European team?Do you want to work in a monumental office building (close to public transport) in Breda,?

ABOUT PARAKAR
The Parakar Group is an employment services organisation offering a wide spectrum of solutions in the domain of globally outsourced HR- and payroll management. We offer solutions to companies and individuals to compliantly engage in employment relationships that not only cross geographical borders and cultures but also help bridge statutory and employment-legal context. Our services range from outsourced employment management, including International HR- and payroll accounting, work permit process management to relocation services, among others.
Our clients, based on all continents, want to employ staff in the Netherlands or another EU country. For these clients we provide ‘Employer of Record’ (EOR)-services, making sure that their e…

Uitspraak: Vluchtelingenwerk adviseert foutief over bezwaartermijn, bezwaar te laat, IND strijkt niet over het hart. Rechtbank toetst de wet

Ik mis hier een overweging WAAROM het niet verschoonbaar is maar dat komt wellicht omdat de advocaat daartoe niets heeft aangevoerd. Je zou wellicht kunnen zeggen dat Vluchtelingenwerk een officiele rol lijkt te hebben gekregen door de overheid in procedures. In bepaalde gevallen wordt Vluchtelingenwerk subsidie gegeven en kan een advocaat geen toevoeging krijgen (aanvragen, nareizen). Zou deze meneer als buitenlander dan niet hebben mogen vertrouwen op goed advies?
Aan de andere kant wordt een slechte advocaat een eiser ook toegerekend. Dat is de advocaat wel aansprakelijk voor de schade. Zou in deze zaak Vluchtelingenwerk daar niet op kunnen worden aangesproken?




De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de griffierechten. Hij heeft zijn verzoek onderbouwd met een verklaring van afwezigheid van inkomen en vermogen. Mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad va…

Waar moet een advocaat aan voldoen om vreemdelingenrecht zaken o.b.v. gesubsidieerde rechtsbijstand te mogen doen?

BIJLAGE 1 VREEMDELINGENRECHT, VREEMDELINGENPIKET EN VREEMDELINGENBEWARINGSZAKEN 1 Onvoorwaardelijke inschrijving vreemdelingenrecht De advocaat die wil worden ingeschreven om rechtsbijstand te verlenen op het terrein van het vreemdelingenrecht (niet zijnde asielrechtsbijstand) dient te voldoen aan de algemene inschrijvingsvoorwaarden en bovendien dient hij terzake:
ofwel:
a) met succes de beroepsopleiding van de NOvA (beroepsopleiding oude stijl van vóór september 2013) voltooid te hebben. Deze eis geldt niet voor advocaten die werden beëdigd voordat de beroepsopleiding in 1989 werd ingevoerd en; b) een certificaat van succesvolle deelname te overleggen aan door de Raad landelijk erkende cursussen op het gebied van het vreemdelingenrecht in de drie jaar voorafgaand …

Nu het stof is neergedaald, blijkt geen enkele asielzoeker zich schuldig gemaakt aan moord of doodslag

Nu het stof is neergedaald, blijkt geen enkele asielzoeker zich schuldig gemaakt aan moord of doodslag, maar dat zal de voorpagina's niet halen. https://t.co/a1TifvcPLh — Leo Lucassen (@Leolucassen) January 18, 2020





2/Hier de nadere uitsplitsing van de categorie 'overig', waar discussie over was omdat er naar gevraagd moest worden, inclusief 31 opgevoerde incidenten in de categorie moord/doodslag. Uiteindelijk bleek geen enkele asielaanvrager aan moord/ doodslag schuldig te zijn geweest. pic.twitter.com/RqbLaAzuJ5 — Ruben van Gaalen (@rubenivangaalen) January 17, 2020

Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst ma…