Posts tonen met het label besluit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label besluit. Alle posts tonen

06 april 2022

UITSPRAAK Raad van State: Wanneer is een brief over het terugbetalen van een lening inburgering een besluit of slechts een vooraankondiging?

 

De uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 20/359 ("terugbetalen lening")

4.       De minister heeft het bezwaar van [appellante] tegen de brief van 18 oktober 2019 over het terugbetalen van de lening ook niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij al in het besluit van 24 september 2019 heeft besloten dat zij de lening moet terugbetalen. De reden daarvoor is dat zij niet op tijd is ingeburgerd. De brief verandert volgens de minister niets aan haar rechten en plichten ten opzichte van dat besluit.

4.1.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 18 oktober 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Primair voert [appellante] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister pas in de brief van 18 oktober 2019 de verplichting heeft opgelegd om de lening terug te betalen en dat het besluit van 24 september 2019 in zoverre moet worden gezien als een vooraankondiging. Subsidiair voert [appellante] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de uitspraken van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2734, onder 4.3, en 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:682, onder 3.1, volgt dat een brief zoals de brief van 18 oktober 2019 wél moet worden aangemerkt als een besluit. Ten slotte voert [appellante] aan dat de lening in ieder geval voor 90% moet worden kwijtgescholden, omdat zij slechts vijf dagen te laat is ingeburgerd. Zij verwijst hierbij naar de beantwoording door de minister van vragen van Tweede Kamerleden (Kamerstukken II, 2021/22, Aanhangsel, 358) en de Regeling van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 december 2021 (Stcrt. 2021, 49155). Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij na afloop van de inburgeringstermijn alleen nog het examen Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt moest halen.

4.2.    Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt: 'Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.'

4.3.    Zoals [appellante] onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 november 2020 en 31 maart 2021 terecht betoogt - en zoals de minister in de schriftelijke uiteenzetting ook erkent - is de brief van 18 oktober 2019 een besluit. Die brief is namelijk op rechtsgevolg gericht, omdat de minister hierin voor het eerst heeft vastgesteld hoe hoog de uiteindelijke schuld precies is en heeft bepaald binnen welke termijn betaling daarvan moet plaatsvinden, zodat pas na deze brief voor [appellante] de verplichting ontstond om de schuld te gaan terugbetalen. Zij kon dus bezwaar maken tegen dit besluit en daarbij gronden naar voren brengen die samenhangen met de terugbetalingsverplichting, zoals argumenten over de hoogte van de vastgestelde schuld en haar financiële situatie. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 18 oktober 2019 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

4.4.    Het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 20/359, is gegrond. Deze uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 9 januari 2020 met kenmerk I-NO061/004380775 ("terugbetalen lening"), alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat de minister in het nieuwe besluit mede moet ingaan op de vraag of gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld aangewezen is, gelet op de geringe overschrijding van de inburgeringstermijn. Daarbij moet de minister het betoog van [appellante] dat de lening voor 90% moet worden kwijtgescholden, aanmerken als een verzoek in de zin van artikel 4.16a, eerste lid, van de Regeling inburgering. Verder moet de minister de proceskosten vergoeden.

 

De uitspraak:

 

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-04-2022
Datum publicatie 06-04-2022
Zaaknummer 202102597/1/V6
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
 https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1017https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:1017

29 december 2015

Uitspraak: een relatief onbekend rechtsmiddel in de vreemdelingenrechtspraktijk - Verzet - en Bahaddar (3 EVRM) bij terugkeer


ECLI:NL:RBDHA:2015:11214

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-10-2015
Datum publicatie 29-12-2015
Zaaknummer AWB - 15 _ 3220 verzet
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Verzet
Inhoudsindicatie verzet
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/3220

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2015 op het verzet van

[opposant], opposant, V-nummer [nummer]
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
tegen de uitspraak in de zaak van
opposant
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Overwegingen

Bij uitspraak van 28 april 2015 is het beroep van opposant (met bovengenoemd registratienummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet tijdig is ingediend.
Op 27 mei 2015 heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Op 31 augustus 2015 is opposant in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord. Opposant is ter zitting in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde verweerder de gelegenheid te bieden aan te geven of de beschikking van 9 oktober 2014 aan eiser is uitgereikt via de korpschef en of op de dag van uitreiking een kopie van de beschikking en bijlagen per fax zijn verzonden aan [persoon A], die blijkens het voorblad behorende bij de beschikking van 9 oktober 2014 de toenmalige gemachtigde was van eiser.
Verweerder heeft op 1 september 2015 een reactie ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft dit op 8 september 2015 gedaan.
Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 9 oktober 2014 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van opposant ingetrokken en een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar. Dit besluit is op 15 december 2014 aangetekend en per gewone post naar het GBA-adres van opposant verzonden. Op 16 februari 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.
2 In verzet voert opposant aan dat hij op een zeer laat moment kennis heeft genomen van het bestreden besluit. Het besluit is naar zijn postadres gestuurd maar opposant woont daar niet. Ter zitting heeft opposant aangevoerd dat het bestreden besluit niet juist is uitgereikt nu dit besluit niet is verzonden naar [persoon A] te [plaats] die als advocaat van opposant stond vermeld. Voorts heeft opposant aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 3 EVRM. Opposant kan niet in veiligheid terugkeren naar Somalië. Zijn familie woont in Nederland en hij heeft geen banden meer met Somalië.
3 De rechtbank constateert dat opposant niet tijdig beroep heeft ingediend. Het betoog dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat het besluit niet is verzonden naar eisers gemachtigde [persoon A] slaagt niet. Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 9 december 2014 blijkt dat verbalisant [voormalig gemachtigde] contact heeft opgenomen met [persoon A]. [voormalig gemachtigde] heeft medegedeeld dat hij de belangen van opposant niet meer behartigde en geen prijs stelde op toezending van het besluit. Derhalve was bij verweerder geen gemachtigde bekend en kon verweerder volstaan met het verzenden van het besluit naar het GBA-adres van opposant.
4 Het betoog dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat opposant niet tijdig kennis heeft genomen van het besluit, slaagt evenmin. Ter zitting heeft opposant aangegeven dat hij in december 2014 op vakantie was in België en daarna zijn post is gaan ophalen. In januari 2015 heeft hij het besluit heeft ontvangen. De beroepstermijn was nog niet overschreden. Hij is met het besluit naar de maatschappelijk werker van school gegaan en die heeft hem naar een advocaat doorverwezen. Ondertussen was de beroepstermijn overschreden. Uit bovenstaande verklaring van opposant blijkt dat hij tijdig op de hoogte is geraakt van het besluit. Dat de maatschappelijk werker hem niet onverwijld heeft doorverwezen naar een advocaat voor het instellen van beroep komt voor rekening en risico van opposant en is geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
5 Het vorenstaande laat onverlet dat onder bijzonder omstandigheden, op de individuele zaak betrekken hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817 de noodzaak kan bestaan om een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Dit geldt ook voor een overschrijding van de beroepstermijn (Zie: uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van onder meer 11 april 2014 (201310204/1/V2) en 4 juni 2014 (201402999/1/V4). Opposant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3 EVRM en dat hij niet in veiligheid kan terugkeren naar Somalië. Hij heeft geen banden met Somalië en zijn familie woont in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is of bij terugkeer van opposant naar Somalië geen sprake is van een situatie zoals beschreven in Bahaddar. Het beroep is ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak van 28 april 2015 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Het beroep wordt alsnog op een zitting behandeld. Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na het onderzoek ter zitting het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
6 De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die opposant in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 490,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,-). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 490,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van drs. F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

 De uitspraak staat hier: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:11214


Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

11 maart 2014

Tentenkamp Somaliër vraagt binnen asielprocedure om reguliere verblijfsvergunning -> nw aanvraag (uitspraak Raad van State)


ECLI:NL:RVS:2014:797

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-02-2014
Datum publicatie 05-03-2014
Zaaknummer 201308276/1/V4
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep

2. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het door hem in de correcties en aanvullingen op het gehoor en de zienswijze gedane verzoek om toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (hierna: het Vb 2000) niet kan worden aangemerkt als een aanvraag, zodat de naar aanleiding van dit verzoek in het besluit van 8 augustus 2013 gemaakte opmerking dat geen aanleiding wordt gezien gebruik te maken van die bevoegdheid, geen besluit is. Door aldus te overwegen heeft de voorzieningenrechter volgens de vreemdeling miskend dat voormeld verzoek volgens de jurisprudentie van de Afdeling als een aanvraag moet worden aangemerkt.
2.1. In artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 zijn de beperkingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Vw 2000 vermeld.
Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan de minister een verblijfsvergunning verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.
2.2. De vreemdeling heeft onder meer in zijn zienswijze op het voornemen van de staatssecretaris tot afwijzing van zijn asielaanvraag van 31 juli 2013, de staatssecretaris verzocht hem met toepassing van de discretionaire bevoegdheid, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij behoort tot de groep feitelijk onuitzetbare Somaliërs, dat hij in een tentenkamp heeft gezeten en thans weer voorzieningen ROA/COA ontvangt en dat hij aan deze lijdensweg een einde gemaakt wil zien.
Een dergelijk verzoek moet volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraken van 20 april 2007 in zaak nr. 200701566/1, JV 2007/264, en van 8 juli 2011 in zaak nr. 201009928/1/V3) worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De in het besluit van 8 augustus 2013 vervatte afwijzing van die aanvraag dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter heeft dat niet onderkend.
Grief 2 slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om toepassing van de discretionaire bevoegdheid, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, en voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling met betrekking tot het verzoek om toepassing van voormelde bevoegdheid ambtshalve als volgt.
3.1. De hiervoor onder 2.2 bedoelde afwijzing moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar openstaat. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk. De Afdeling zal het beroepschrift in zoverre met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift aan de staatssecretaris doorzenden.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
 Hele uitspraak hier: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2014:797

Dus meneer is dan nog steeds niet illegaal want in procedure. Lijkt me een handig idee voor de advocaten in al die vergelijkbare procedures.

Tekst Awb

 

Artikel 1:3

  • 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
  • 2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
  • 3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
  • 4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

22 januari 2014

De opdracht Nederland onmiddellijk te verlaten is geen besluit dus geen Hoger Beroep mogelijk (Uitspraak Raad van State)


Uitspraak 201303504/2/V1

Datum van uitspraak dinsdag 21 januari 2014
Tegen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Proceduresoort Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied Vreemdelingenkamer - Overige
201303504/2/V1.
Datum uitspraak: 21 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK


(...)

3. Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Het terugkeerbesluit is met de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2013 in zaak nr. 201303504/1/V1 (reeds in bezit van partijen) in rechte onaantastbaar geworden.
4. Met de in de brief van 31 juli 2013 vervatte opdracht dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten is geen ander, verderstrekkend, rechtsgevolg ingetreden dan met het terugkeerbesluit, nu de staatsecretaris daarmee niet de aan de vreemdeling gestelde vertrektermijn heeft gewijzigd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaak nr. 201203301/1/V3). Dat de staatssecretaris in die brief - anders dan in het terugkeerbesluit - het standpunt heeft ingenomen dat de vreemdeling bij terugkeer naar Somalië niet langer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is evenmin gericht op rechtsgevolg, nu dit niet wegneemt dat de staatssecretaris hem reeds in het terugkeerbesluit heeft verplicht Nederland onmiddellijk te verlaten. De opdracht Nederland onmiddellijk te verlaten is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kon worden ingesteld.
5. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Bron: http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=77501

Maar dat hoeft toch ook niet in het Vreemdelingenrecht? Dat kent als lex specialis toch artikel 72 lid 3 Vw???? Of wordt tussen de regels door ("rechtsgevolg")wel iets in die richting overwogen?



In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

19 april 2012

Vergewisplicht detentiegeschiktheid ingeval van een al ingediend art 64 verzoek (uitspraak ABRRvS)

LJN: BW3354, Raad van State , 201201640/1/V3 en 201201650/1/V3
Datum uitspraak: 11-04-2012
Datum publicatie: 19-04-2012
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Op 13 januari 2012 heeft vreemdeling 1 vervolgens een met medische stukken onderbouwd verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. Bij brief van 18 januari 2012, de dag van de inbewaringstelling, is, voor zover thans van belang, gewezen op voormeld verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 en verzocht om voorafgaand aan een mogelijke inbewaringstelling de vreemdelingen te onderzoeken op detentiegeschiktheid. Zoals ook volgt uit voormelde uitspraak van 7 juni 2010, had het gelet op deze omstandigheden op de weg van de minister gelegen om in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit tot inbewaringstelling van in ieder geval vreemdeling 1 gemotiveerd op dat verzoek te reageren en het kenbaar te betrekken bij zijn belangenafweging voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel. Uit hetgeen ter zitting van de rechtbank door de minister is verklaard en uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat hij dit heeft nagelaten. Gelet op de door de minister in beroep, noch in hoger beroep bestreden afhankelijkheid van vreemdeling 1 ten opzichte van vreemdeling 2 strekt dit gebrek zich in dit geval tevens uit tot de inbewaringstelling van vreemdeling 2. De vreemdelingen klagen derhalve terecht dat hun inbewaringstelling in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb tot stand is gekomen en van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.

Bron: rechtspraak.nl





Law Blogs
Law blog Klik op +1 als u dit een interessant artikel vindt en Google zal het dan beter zichtbaar maken in de zoekresultaten.

17 oktober 2011

Bekendmaken van besluit door toezending (uitspraak rechtbank)

LJN: BT7652, Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Maastricht , AWB 11 / 11710 uitspraak

Datum uitspraak: 12-10-2011
Datum publicatie: 14-10-2011
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Bij het besluit van 13 april 2010 is eiser op grond van artikel 67, eerste lid aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), ongewenst verklaard. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het door eiser gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl


Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Indien de bekendmaking van het besluit, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, wordt ingevolge artikel 67, tweede lid, van de Vw 2000 van het besluit mededeling gedaan in de Staatscourant.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2001 (LJN AE3239) - blijkt dat toezending van een besluit in beginsel kan geschieden aan het laatstelijk aan een bestuursorgaan opgegeven (correspondentie)adres.

In paragraaf A5/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is, voor zover thans van belang, vermeld dat het origineel van het besluit tot ongewenstverklaring aan de vreemdeling in persoon wordt uitgereikt door de vreemdelingenpolitie. Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze - met de brochure - per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Staatscourant plaats. Tevens wordt in deze paragraaf verwezen naar het beleid opgenomen in paragraaf B1/9.7.7 van de Vc 2000. Daarin is, voor zover thans van belang, vermeld dat een beschikking die niet aan de vreemdeling in persoon kan worden uitgereikt, door de politie bij aangetekende brief wordt verzonden aan het laatst bekende (GBA)adres van de vreemdeling.
De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het in geval van eiser niet om een adres in Nederland gaat en het adres niet met een objectieve bron gestaafd is, zoals de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij veronderstelt dat het hiervoor vermelde beleid enkel betrekking heeft op in Nederland bekende adressen van een vreemdeling.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 13 april 2010 met de niet aangetekende verzending en de publicatie in de Staatscourant niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Er was een adres van eiser bij verweerder bekend, namelijk het adres in Italië. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet langer op dit laatst bekende adres woonachtig was. Verweerder had dan ook overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb en zijn eigen beleid, zoals hierboven vermeld, het besluit bij aangetekende brief aan het laatst bekende adres in Italië moeten toezenden. Indien verweerder twijfels had of eiser nog steeds op het opgegeven adres woonde ofwel twijfel had of dit adres wel bestond, had het op zijn weg gelegen dit te onderzoeken. Dit klemt te meer nu het adres van eiser bij toezending van het besluit van 13 april 2010 op een andere wijze is geschreven dan in het proces-verbaal van 9 november 2009 en verweerder ook op geen enkel moment navraag heeft gedaan naar de postcode van dit adres. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, niet in dat voormeld beleid enkel en alleen betrekking heeft op adressen in Nederland, nu dit niet expliciet in het beleid is vermeld. Voor zover het beleid melding maakt van toezending aan het laatst bekende (GBA)adres van een vreemdeling, kan de plaatsing van de letters “GBA” tussen haakjes niet anders worden uitgelegd dat daarmee de mogelijkheid wordt opengelaten dat toezending van een besluit kan plaats vinden naar een ander adres dan een GBA-adres. Dat dit ander adres alleen een adres in Nederland zou (kunnen) zijn is, zoals reeds is overwogen, niet expliciet in het beleid vermeld. Overigens blijkt uit (overweging 12 van) de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 oktober 2009 (nr. AWB 08/39217, aangehecht) dat het in de (uitvoerings)praktijk van verweerder niet ongebruikelijk is dat besluiten als hier in geding aangetekend naar een bij verweerder laatst bekend adres in het buitenland worden gestuurd.

Onder de hiervoor gegeven omstandigheden moet worden geoordeeld dat verweerder bij de toezending van het besluit van 13 april 2010 niet volgens zijn eigen beleid heeft gehandeld, hetgeen in strijd is met artikel 4:84 van de Awb. De uitspraken van de Afdeling waar verweerder in dit kader in het verweerschrift naar heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel nu deze uitspraken zien op een casuspositie waarin het laatste adres van de vreemdeling niet bekend was, dan wel de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. Verweerder had derhalve niet op de in het bestreden besluit gegeven gronden kunnen besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, zodat het besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb


Law Blogs
Law blog Klik op +1 als u dit een interessant artikel vindt en Google zal het dan beter zichtbaar maken in de zoekresultaten.

04 april 2011

Als een vreemdeling de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit wil laten toetsen in een bewaringszaak moet dat met een separate (gevoegde)-vovo (uitspraak ABRRvS)

LJN: BP9280, Raad van State , 201100307/1/V3

Datum uitspraak: 21-03-2011
Datum publicatie: 28-03-2011
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Gelet hierop heeft de rechtbank, anders dan de minister betoogt, terecht overwogen dat uit artikel 15 en de systematiek van de richtlijn rechtstreeks volgt dat een maatregel van bewaring, opgelegd aan een onderdaan van een derde land die illegaal in Nederland verblijft, behoudens de in artikel 6 van de richtlijn benoemde uitzonderingsgevallen, uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen.
In dit geval heeft de minister een terugkeerbesluit genomen, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 61, eerste lid, dan wel artikel 62, derde lid, van de Vw 2000. Dit terugkeerbesluit behelst niet meer dan de vaststelling dat de vreemdeling onrechtmatig in Nederland verblijft en dat ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen op de vreemdeling de verplichting tot onmiddellijk vertrek rust. Het in deze zaak genomen terugkeerbesluit is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Met het oog op het bepaalde in de artikelen 12, eerste lid, en 13 van de richtlijn wordt dit terugkeerbesluit evenwel op de voet van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 voor de toepassing van afdeling II van hoofdstuk 7 met een beschikking gelijkgesteld. Thans betekent dit dat het rechtsmiddel van bezwaar daartegen openstaat.
De vreemdeling betoogt weliswaar terecht dat er een nauwe samenhang bestaat tussen het terugkeerbesluit enerzijds en de maatregel van bewaring anderzijds maar dit kan in de huidige situatie slechts tot een gezamenlijke beoordeling van inbewaringstelling en terugkeerbesluit leiden, indien het terugkeerbesluit vervat zou zijn in het besluit tot inbewaringstelling, welke mogelijkheid de richtlijn voor daarvoor in aanmerking komende gevallen uitdrukkelijk openlaat. Nu evenwel in dit geval los van de maatregel een terugkeerbesluit is genomen, staat het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vw 2000 thans eraan in de weg dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens een oordeel geeft over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Eerst indien een zodanig terugkeerbesluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is gebleken, kan de rechter, die over de maatregel van bewaring heeft te oordelen, zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van die maatregel. Van de onthouding van een effectief rechtsmiddel is aldus geen sprake, nu tegen een afzonderlijk terugkeerbesluit zoals dat thans is genomen, zoals hiervoor is overwogen, het rechtsmiddel van bezwaar openstaat en hangende die procedure zo nodig om een voorlopige voorziening kan worden verzocht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Bron: rechtspraak.nl



Law Blogs
Law blog

21 februari 2011

Effectiviteitsbeginsel noopt tot aparte toetsing aan Terugkeerrichtlijn bij herhaalde aanvraag (uitspraak)

LJN: BP5177, Rechtbank 's-Gravenhage , Awb 11/3029 en 11/3027

Datum uitspraak: 17-02-2011
Datum publicatie: 21-02-2011
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Mededeling terugkeerbesluit in AA besluit is geen besluit ingevolge artikel 1:3 Awb. Dit rechtsgevolg wordt getoetst in de asielzaak. Geen strijd met Terugkeerrichtlijn, nu artikel 7 lid 4 Tri een nul dagen termijn mogelijk maakt bij een kennelijk ongegronde aanvraag. Dat is i.c. het geval omdat de aanvraag met artikel 4:6 Awb is afgedaan. Ten aanzien van verzoekers beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met de Terugkeerrichtlijn overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Deze beroepsgrond van verzoeker is gericht tegen één van de rechtsgevolgen van het bestreden asielbesluit, te weten de vertrektermijn van nul dagen. Dit is een rechtsgevolg dat op grond van artikel 45 Vw 2000 rechtstreeks voortvloeit uit de afwijzing van de asielaanvraag van verzoeker. Hoewel het bestreden besluit onder kopje 5 “Rechtsgevolgen van deze beschikking” vermeldt dat het besluit tevens wordt aangemerkt als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn, is van een afzonderlijk besluit als bedoeld in artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting ook als standpunt naar voren heeft gebracht, geen sprake nu de vertrekplicht reeds op grond van de wet een rechtsgevolg is dat voortvloeit uit de afwijzende asielbeschikking. Volgens de jurisprudentie van de ABRS (onder meer een uitspraak 24 juli 2002, JV 2002/311) moet de rechter de asielafwijzing toetsen in het licht van het daaraan verbonden rechtsgevolg. Volgens de ABRS betekent dat niet dat het rechtsgevolg los van de strekking van de beschikking op de asielaanvraag waaruit het voortvloeit kan worden beoordeeld en staat het de rechter niet vrij het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag gegrond te verklaren, alhoewel er geen grond is voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Desalniettemin zal de voorzieningenrechter op grond van het effectiviteitsbeginsel beoordelen of de voor eiser geldende nul-dagen termijn in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn. Volgens dit beginsel dient een nationale procesregel de uitoefening van de rechten die een belanghebbende in voorkomend geval aan het Unierecht ontleent, niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken (onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 februari 2003, C-327/00, LJN: AN8759). Daar komt bij dat op grond van artikel 13, eerste lid, Terugkeerrichtlijn aan de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel moet worden toegekend tegen onder meer het terugkeerbesluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voor eiser geldende nul-dagen termijn in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn, nu artikel 7 lid 4 van de Terugkeerrichtlijn de mogelijkheid biedt om de vertrektermijn op nul dagen te stellen, als een aanvraag voor een verblijfsvergunning kennelijk ongegrond is. Dit is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, het geval in de onderhavige situatie waarin sprake is van een herhaalde asielaanvraag zonder dat er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Bron: rechtspraak.nl




Law Blogs
Law blog

Aanbevolen post

Wytzia Raspe over vluchtelingen, AZC’s, cruiseschepen en mensensmokkelaars

Mr. van de week is Wytzia Raspe. Zij is 25 jaar jurist vreemdelingenrecht in allerlei verschillende rollen. Sinds 2005 schrijft en blogt z...