Appellant betoogt echter terecht dat de brief van 18 mei
2018 wel op rechtsgevolg is gericht en daarmee een besluit is. In deze
brief heeft de minister namelijk voor het eerst vastgesteld hoe hoog de
uiteindelijke schuld precies is en de termijn waarbinnen betaling
daarvan moet plaatsvinden. Gelet op artikel 4:86 van de Awb en het onder
4.1 overwogene ontstond pas na dit besluit voor [appellant] de
verplichting om de schuld te gaan terugbetalen. Zij kon dus bezwaar
maken tegen dit besluit en daarbij gronden naar voren brengen die
samenhangen met de terugbetalingsverplichting, zoals argumenten over de
hoogte van de vastgestelde schuld en haar financiële situatie.
ECLI:NL:RVS:2020:2401
- Instantie Raad van State
- Datum uitspraak 14-10-2020
- Datum publicatie 14-10-2020
- Zaaknummer 201908630/1/V6
-
Bij brief van 18 mei 2018 heeft de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald dat [appellant] op
1 november 2018 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor
het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 9.026,85 en
zij moet maandelijks € 75,22 betalen. Bij besluit van 18 april 2017
heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 500,00 en bepaald
dat zij de lening die zij bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft
afgesloten moet terugbetalen, omdat zij niet op tijd is ingeburgerd.
Daarbij is aangegeven dat zij met het terugbetalen pas begint wanneer
zij klaar is met inburgeren. In de brief van 18 mei 2018 heeft de
minister [appellant] meegedeeld dat zij € 9.026,85 heeft geleend voor
een cursus en/of examen, dat zij deze lening vanaf 1 november 2018 gaat
terugbetalen en dat over de periode 1 november 2018 tot 1 november 2023
maandelijks een bedrag van € 75,22 zal worden geïncasseerd.
- Vindplaatsen
-
Rechtspraak.nl
-
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
201908630/1/V6.
Datum uitspraak: 14 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2019 in zaak nr. 18/2733 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij brief van 18 mei 2018 heeft de minister bepaald dat
[appellant] op 1 november 2018 moet beginnen met het terugbetalen van
een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld
bedraagt € 9.026,85 en zij moet maandelijks € 75,22 betalen.
Bij besluit van 18 juli 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 oktober 2019 heeft de rechtbank het door
[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze
uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2020,
waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Volkers, advocaat te Groningen,
en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, zijn
verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Bij brief van 22 november 2013 heeft de minister
[appellant] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is en dat haar
inburgeringstermijn op 25 oktober 2013 is gestart. Bij brief van 19
december 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat zij tot die
datum de tijd had om aan deze plicht te voldoen, dat zij daarin niet is
geslaagd en dat zij daarom een boete krijgt die voorlopig op € 1.250,00
wordt vastgesteld. Ook heeft de minister overeenkomstig artikel 32 van
de Wet inburgering een nieuwe termijn gesteld tot 19 december 2018. Bij
besluit van 18 april 2017 heeft de minister [appellant] een boete
opgelegd van € 500,00 en bepaald dat zij de lening die zij bij de Dienst
Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) heeft afgesloten moet terugbetalen,
omdat zij niet op tijd is ingeburgerd. Daarbij is aangegeven dat zij met
het terugbetalen pas begint wanneer zij klaar is met inburgeren. In de
brief van 18 mei 2018 (hierna: de brief) heeft de minister [appellant]
meegedeeld dat zij € 9.026,85 heeft geleend voor een cursus en/of
examen, dat zij deze lening vanaf 1 november 2018 gaat terugbetalen en
dat over de periode 1 november 2018 tot 1 november 2023 maandelijks een
bedrag van € 75,22 zal worden geïncasseerd.
3. De minister heeft het bezwaar van [appellant] tegen de
brief niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief volgens de minister
niet op rechtsgevolg is gericht. Hij heeft immers al in het besluit van
18 april 2017 besloten dat zij de lening moet terugbetalen. De brief
verandert volgens de minister niets aan haar rechten en plichten ten
opzichte van dat besluit.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen dat de brief niet op een rechtsgevolg is gericht en dat dit
daarom geen besluit is waartegen zij een rechtsmiddel kon aanwenden.
[appellant] voert aan dat de brief wel op rechtsgevolg is gericht, omdat
de minister hierin heeft bepaald dat zij daadwerkelijk de lening moet
terugbetalen en om welk bedrag het gaat. Verder voert [appellant] aan
dat onder de brief een rechtsmiddelenclausule staat en dat de minister
in een andere zaak heeft erkend dat hij voorafgaand aan het verzenden
van een brief als hier aan de orde ambtshalve beoordeelt of de schuld
voor kwijtschelding in aanmerking komt.
4.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel
4:86 van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 32 tot en
met 34) kan worden afgeleid dat met een besluit als bedoeld in deze
bepaling is beoogd voor de schuldenaar duidelijk te maken waarom hij een
geldsom is verschuldigd en welk bedrag hij moet betalen binnen welke
termijn. Hoofdregel is dat een verplichting tot betaling pas ontstaat
nadat een besluit is genomen waarin is vastgesteld hoe hoog de schuld
precies is en binnen welke termijn deze moet worden betaald.
4.2. In het besluit van 18 april 2017 met als opschrift
"beschikking niet op tijd ingeburgerd" heeft de minister vastgesteld dat
[appellant] niet op tijd heeft voldaan aan haar inburgeringsplicht en
dat zij daarom het reeds geleende en nog te lenen geldbedrag aan DUO
moet terugbetalen. De minister heeft in de schriftelijke uiteenzetting
toegelicht dat de ambtshalve beoordeling of de schuld van [appellant]
volledig wordt kwijtgescholden op de voet van artikel 4.13, derde lid,
onder a, in samenhang gelezen met het vierde lid, van het Besluit
inburgering, heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het nemen van dit
besluit. De minister voert op zichzelf terecht aan dat [appellant] haar
betoog dat de overschrijding van de inburgeringstermijn haar niet valt
te verwijten en dat de minister de schuld daarom had moeten
kwijtschelden naar voren had moeten brengen in een procedure tegen het
besluit van 18 april 2017. [appellant] heeft echter geen rechtsmiddel
aangewend tegen dat besluit. In zoverre heeft de rechtbank terecht
geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de brief van 18 mei 2018
terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
[appellant] betoogt echter terecht dat de brief van 18 mei
2018 wel op rechtsgevolg is gericht en daarmee een besluit is. In deze
brief heeft de minister namelijk voor het eerst vastgesteld hoe hoog de
uiteindelijke schuld precies is en de termijn waarbinnen betaling
daarvan moet plaatsvinden. Gelet op artikel 4:86 van de Awb en het onder
4.1 overwogene ontstond pas na dit besluit voor [appellant] de
verplichting om de schuld te gaan terugbetalen. Zij kon dus bezwaar
maken tegen dit besluit en daarbij gronden naar voren brengen die
samenhangen met de terugbetalingsverplichting, zoals argumenten over de
hoogte van de vastgestelde schuld en haar financiële situatie. Uit het
voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de
brief van 18 mei 2018 - wat betreft de daarin neergelegde verplichting
tot terugbetaling van de lening - een herhaling is van het besluit van
18 april 2017 en dat de brief van 18 mei 2018 geen rechtsgevolg heeft.
In zoverre heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister
het daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft
verklaard.
Het betoog slaagt.
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank
wordt vernietigd. Wat [appellant] verder heeft aangevoerd, behoeft geen
bespreking. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het
beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 18 juli 2018
vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met
inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten
vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2019 in zaak nr. 18/2733;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van 18 juli 2018, kenmerk
I-NO061/0042761227172-87631-0-08;
V. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de
behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten
tot een bedrag van € 2.137,00 (zegge: tweeduizend honderdzevenendertig
euro), waarvan € 2.100,00 is toe te rekenen aan door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 37,00 aan reiskosten;
VI. gelast dat de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan [appellant] het door haar voor de behandeling van
het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van €
305,00 (zegge: driehonderdvijf euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr.
J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid
van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2020
Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com I