Had in deze zaak de Europa-route wel tot een gunstig resultaat kunnen leiden?
mvv Haïti, geen recht op vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, niet aannemelijk dat eisers geen aanvaardbare toekomst hebben, beroep ongerond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46429
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer [nummer 1],
[eiser 1] , v-nummer [nummer 2],
[eiser 2] , v-nummer [nummer 3],
eisers
(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.C. Post-Kadijk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van referenten om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eisers met als doel verblijf als pleegkind bij referenten.1 Eisers zijn het niet met de afwijzing eens en hebben hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de aanvragen af te wijzen in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eisers en referenten en dat ook niet is gebleken dat eisers in Haïti geen aanvaardbare toekomst hebben.2Tot slot zijn er geen omstandigheden aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid.3 Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Inleiding
2. Referenten hebben op 23 augustus 2022 aanvragen ten behoeve van eisers ingediend voor een mvv. De minister heeft deze aanvragen in het primaire besluit van 9 december 2022 afgewezen. Eisers hebben daartegen op 2 januari 2023 bezwaar ingediend. Met het besluit van 9 november 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. Bij uitspraak van 27 juni 2024 is het beroep dat eisers daartegen hebben ingesteld gegrond verklaard, is het besluit van 9 november 2023 vernietigd en is de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.4 Met het besluit van 30 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.
De minister heeft op 31 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referenten, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toelichting bij de aanvraag
3. Eisers verblijven in Haïti. Zij zijn de neefjes en het nichtje van de heer [naam heer], hij is referent. Referente is mevrouw [naam mevrouw], zij is de partner van referent. Aan referenten is op grond van een rechterlijke uitspraak in Haïti de voogdij over eisers toevertrouwd. Referent heeft voor eisers gezorgd toen hij in Haïti woonde. Sinds het vertrek van referent naar Nederland in 2016 heeft hij via beeldbellen het contact met eisers onderhouden.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind.5 Zo is niet gebleken dat referent in Haïti tenminste één jaar heeft samengewoond met eisers en eisers heeft verzorgd en opgevoed en ook is niet gebleken dat eisers nog steeds tot het gezin van referent(en) behoren. Verder is volgens de minister niet gebleken dat eisers in Haïti geen aanvaardbare toekomst hebben. Daarnaast is volgens de minister tussen eisers en referenten geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen referenten en eisers. Van schending van artikel 3 van het IVRK6 is volgens de minister geen sprake. Ten slotte bestaat er volgens de minister geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 van de Awb.
Toetsingskader
5. De minister kan een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid aan een minderjarige vreemdeling verlenen als hij als pleegkind bij een referent wil verblijven. Daarvoor is vereist dat het kind naar het oordeel van de minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.7 Hiervan is sprake als het kind in het land van herkomst niet of bezwaarlijk door bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.8 De minister neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd als het kind in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort en minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen.9 De minister neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in dit artikel aan tussen een minderjarig kind en zijn pleegouders als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. Om hechte persoonlijke banden aan te kunnen nemen tussen bloed- en aanverwanten enerzijds en minderjarige kinderen anderzijds, moeten deze de gebruikelijke omgang overstijgen. De minister heeft hierbij beoordelingsruimte.10 De rechtbank moet het standpunt van de minister daarover daarom terughoudend toetsen.
Is het bestreden besluit onbevoegd genomen?
6. Eisers betogen dat de minister van Asiel en Migratie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het bevoegde bestuursorgaan was. Nu het besluit echter is genomen door de staatsecretaris, is het besluit onbevoegd genomen.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat geen sprake is van een bevoegdheidsgebrek, maar van een kennelijke verschrijving in de ondertekening van het besluit. Voor de rechtbank is voldoende aangetoond dat de minister het besluit heeft genomen en dat enkel de wijze van ondertekenen nog niet was aangepast aan de nieuwe situatie.11 Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wordt er voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.2. van de Vc 2000?
7. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet hebben aangetoond dat zij in Haïti al feitelijk tot het gezin van referent behoorden. Daartoe voeren zij allereerst aan dat in rechte vaststaat dat referent eisers, zijn pleegkinderen, in het land van herkomst in de eerste jaren van hun leven minimaal één jaar heeft verzorgd en opgevoed en met hen heeft samengewoond omdat de eigen ouders hiertoe niet in staat waren.12 Daarnaast betogen eisers dat zij in het land van herkomst wel degelijk al feitelijk behoorden tot het gezin van referent(en) daar nog steeds toe behoren. Referent heeft in Haïti een periode met eisers samengewoond en heeft sindsdien, ondanks dat de biologische ouders de zorg op enig moment zelf weer op zich hebben genomen, tot op heden in Nederland samen met referente op afstand voor eisers gezorgd. Er is sprake van hechte persoonlijke banden. Eisers verwijzen in dit verband naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin is geoordeeld dat, ondanks dat gedurende enige tijd geen sprake meer was van samenwoning, toch een dermate hechte persoonlijke band bestond dat sprake was van gezinsleven.13 De minister hecht ten onrechte geen waarde aan de overgelegde voogdijverklaring, aan de verklaringen van eisers, de biologische ouders, de andere familieleden en aan de overgelegde foto’s en geldoverschrijvingen. Eisers betogen dat uit alles in samenhang bezien een bevestiging van het bestaande gezinsleven volgt.
Gelet op het onder punt 4 weergegeven toetsingskader moet worden beoordeeld of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake (meer is van gezinsleven tussen eisers en de referenten. Het betoog van eisers dat uit rechtsoverweging 7.2. van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 juni 2024 volgt, dat in rechte vast is komen te staan, dat eisers gedurende ten minste één jaar in het land van herkomst zijn verzorgd en opgevoed door referent, deelt de rechtbank niet. De uitspraak bevat daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers met de overgelegde documenten -bestaande uit de geldoverschrijvingen, de WhatsApp-screenshots, de voogdijverklaring en de verklaringen van eisers, de biologische ouders en andere bloedverwanten- niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen eisers en referenten sprake is (geweest) van zodanige hechte persoonlijke banden dat kan worden gesproken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eisers hebben geen objectieve documenten overgelegd waaruit dit blijkt. De verklaringen zijn afkomstig van familieleden en zijn daarom niet objectief en verifieerbaar, ook de verklaringen van eisers zelf zijn dat niet. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de minister om meer informatie had moeten vragen. Het is aan eisers om hun aanvragen met objectieve documenten te onderbouwen. Uit de overgelegde stukken volgt ook niet dat referenten gedurende een langere periode daadwerkelijk hebben voorzien in de dagelijkse verzorging en opvoeding van eisers. De minister mocht eisers tegenwerpen dat het bewijs van de geldoverschrijvingen daarvoor onvoldoende is, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat de gestelde overgemaakte bedragen daadwerkelijk ten goede zijn gekomen aan eisers of dat deze betalingen verband hielden met hun verzorging en opvoeding. Voorts blijkt uit de stukken niet dat sprake is van een duurzaam (of voortgezet) gezinsverband tussen de referenten en eisers. Dat referenten regelmatig contact hebben met eisers is niet bijzonder, maar juist gebruikelijk tussen familieleden. De aard en intensiteit van dit contact overstijgt niet de gebruikelijke omgang tussen een oom en diens neefjes en nichtje. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte betrokken dat referent sinds 2016 in Nederland met zijn Nederlandse partner verblijft en inmiddels al meer dan acht jaar gescheiden van eisers woont. De minister heeft ook mogen meewegen dat de biologische moeders en vader in deze periode hun kinderen zelf hebben verzorgd en opgevoed en dat niet is gebleken waarom zij deze zorg niet op zich kunnen blijven nemen. Ook blijkt uit de uitspraak van de voogdij niet dat de biologische moeders en vader niet in staat zouden zijn om hun kinderen op te voeden. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gezinsleven tussen eisers en referenten, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.2. van de Vc 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hebben eisers in Haïti geen aanvaardbare toekomst in de zin van paragraaf B7/3.7.1. van de Vc 2000?
8. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet hebben aangetoond dat sprake is van de situatie dat eisers niet of bezwaarlijk door familieleden in Haïti kunnen worden opgevoed en dat voor hen daardoor een onaanvaardbare toekomst in Haïti is weggelegd. Eisers voeren daartoe aan dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de biologische ouders en de andere bloedverwanten vanwege kwetsbaarheid, persoonlijke omstandigheden en de algemene feitelijke situatie in Haïti bezwaarlijk voor hen kunnen zorgen. De voogdij van eisers ligt bij referenten en zij zijn daarom verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding. Het lukt referenten niet meer om contact te krijgen met eisers en daardoor is het verlenen van zorg op afstand onmogelijk. Eisers verwijzen naar landeninformatie en andere openbare bronnen14 waaruit blijkt dat geen sprake meer is van minder welvarende omstandigheden die voor alle kinderen in Haïti gelden, maar dat de omstandigheden in Haïti dusdanig van aard zijn dat van een aanvaardbare toekomst in het geheel geen sprake kan zijn. Zo is in Haïti sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef, onder c, van de Kwalificatierichtlijn15 en dienen kinderen in aanmerking te komen voor een vluchtelingenstatus.16 Eisers verwijzen in dat verband naar een uitspraak van 26 mei 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam.17
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in paragraaf B7/3.7.1. van de Vc 2000. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat uit de overgelegde verklaringen en stukken niet volgt dat de biologische ouders of andere bloed- en aanverwanten niet of bezwaarlijk in staat zijn om de zorg voor eisers op zich te nemen.
Hoewel is gesteld dat de algemene feitelijke omstandigheden in Haïti moeilijk zijn, blijkt daaruit nog niet dat de verzorging van eisers door de biologische ouders of andere naaste bloedverwanten onmogelijk of bezwaarlijk in de zin van het beleid zou zijn. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de algemene omstandigheden in het land van herkomst niet zodanig zijn dat de verzorging kwalitatief en praktisch ontoereikend zou zijn. Het bestaan van betere leefomstandigheden in Nederland is onvoldoende om te concluderen dat eisers in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst hebben. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, hoewel de veiligheidssituatie in Haïti volgens de beschikbare landeninformatie zorgwekkend is en bendegeweld op aanzienlijke schaal voorkomt, daaruit nog niet volgt dat verzorging door naaste bloed- of aanverwanten niet mogelijk is. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de biologische ouders of andere bloedverwanten zich in een directe of structureel onveilige positie bevinden die de verzorging onmogelijk maakt. De gestelde dreiging van bendegeweld raken de bevolking in algemene zin en niet specifiek het gezin van eisers. De minister heeft in de negatieve ontwikkeling in de situatie in Haïti geen aanleiding gezien om ten aanzien van Haïti te concluderen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 26 mei 2025 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich overeenkomstig het beleid op het standpunt kunnen stellen dat voor eisers geen onaanvaardbare toekomst als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, is weggelegd als zij verblijven bij hun ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen.18 De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat voor eisers een onaanvaardbare toekomst zoals bedoeld in paragraaf B7/3.7.1. van de Vc 2000 is weggelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM?
9. Eisers betogen subsidiair dat de minister vanwege het nu bestaande gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM alsnog verblijf had moeten toestaan. Daarbij had de minister ook de invulling van het gezinsleven op afstand, waarbij sprake is van intensief contact, in de beoordeling moeten betrekken.19 Eisers wordt enkel tegengeworpen dat het overleggen van foto’s niet genoeg is om gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan te nemen.
De rechtbank is van oordeel, zoals reeds is overwogen onder 6.2, dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eisers en referenten geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan een belangenafweging.20 Het besluit van 30 oktober 2024 is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM genomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schending artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
10. Eisers betogen dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM in alle beslissingen over kinderen, de belangen van het kind een eerste en centrale overweging moeten vormen.21 Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende kenbaar hoe de belangen van eisers zijn meegewogen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister kenbaar oog heeft gehad voor de belangen van eisers.22 De minister heeft erop gewezen dat de belangen van het kind een eerste overweging vormen bij de inrichting van het beleid en dat daarom allereerst is getoetst aan het toepasselijke beleid. Bij die toetsing heeft de minister de huidige leefsituatie van eisers in Haïti, de mogelijkheden tot verzorging en opvoeding door de eigen ouders in Haïti en de band van eisers met referenten meegenomen in de beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister met toepassing van artikel 4:84 van de Awb moeten afwijken van zijn beleid?
11. Eisers betogen dat de zeer slechte situatie in Haïti, wel degelijk een rol speelt nu zij geen onderwijs kunnen krijgen en zij niet aan hun toekomst kunnen bouwen. Het besluit van de minister getuigt in dit geval van onevenredige hardheid en daarom dient de minister gebruik te maken van zijn afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Awb.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels. De door eisers aangevoerde omstandigheden zijn namelijk door de minister al meegenomen bij de beoordeling of aan het beleid wordt voldaan, zodat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb.23 Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en ook geen vergoeding krijgen van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:656
Geen opmerkingen:
Een reactie posten