16 augustus 2024

MK UITSPRAAK over chaos bij Nareis en beroepen niet-tijdig met dwangsom en FiFo


Overwegingen

1. Deze zaak gaat over het beroep niet tijdig beslissen op een aanvraag om een machtiging voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank bespreekt hierna eerst het aanhoudingsverzoek van verweerder en schetst vervolgens de context waarin dit beroep wordt beoordeeld. In dat (algemene) deel zal de rechtbank in gaan op de huidige stand van zaken, het fifo-principe, de beslistermijn en de dwangsom. Daarna gaat de rechtbank in op de concrete toepassing in de onderhavige zaak.

Aanhoudingsverzoek

2. Wanneer de minister een wettelijke beslistermijn niet haalt, kan een vreemdeling een beroep niet tijdig beslissen bij de bestuursrechter instellen.1 Het beroep is gegrond als de beslistermijn is verstreken en de minister door de vreemdeling op de juiste wijze schriftelijk in gebreke is gesteld. Bij een gegrond beroep bepaalt de bestuursrechter binnen welke termijn de minister alsnog een besluit moet nemen. De bestuursrechter verbindt ook een dwangsom aan zijn uitspraak voor iedere dag dat de minister in gebreke blijft de uitspraak na te leven.2

3. De rechtbank kan niet aan het aanhoudingsverzoek van de minister tegemoet komen. Wettelijk gezien bestaat daarvoor geen ruimte. Wanneer is vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden, volgt uit de wet immers dwingend dat de bestuursrechter de minister opdraagt een beslissing te nemen binnen twee weken. In bijzondere gevallen kan een andere termijn worden bepaald of een andere voorziening worden getroffen, maar het uitstellen van het behandelen van het beroep behoort niet tot de mogelijkheden.

Algemeen deel

Structurele problemen

4. Uit de jaarcijfers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) blijkt dat de minister te maken heeft met grote achterstanden bij het beslissen op nareisaanvragen en bezwaarschriften in nareisprocedures.3 De afgelopen jaren is er sprake van een steeds hogere instroom. Volgens openbare cijfers bedroeg de instroom bij nareis in 2021 18.880 aanvragen (13.980 MVV nareis en 4.900 nareis 8 EVRM AMV). In 2023 bedroeg de instroom 31.920 aanvragen (22.500 MVV nareis en 9.420 nareis 8 EVRM AMV).4 De hoge instroom van nareisaanvragen kan niet worden bijgehouden. Dit heeft als gevolg dat de voorraad aan zaken steeds verder oploopt. De voorraad betrof in 2021 12.230 zaken (8.450 MVV nareis en 3.780 nareis 8 EVRM AMV). In 2023 liep dit op tot 40.580 aanvragen (27.060 MVV nareis en 13.520 nareis 8 EVRM AMV).5 Volgens de meest recente cijfers staan er op dit moment 52.520 nareisaanvragen open (35.320 MVV nareis en 17.200 nareis 8 EVRM AMV).6 Ter zitting gaf de minister aan dat er gemiddeld per maand in ruim 1.000 zaken beslist kan worden. Uit de door de IND gepubliceerde cijfers volgt dat er in het afgelopen half jaar meer dan dubbel zoveel nareisaanvragen zijn binnengekomen dan nareisbeslissingen zijn uitgestroomd. De voorraad bij de IND neemt dus nog altijd fors toe.

5. De wettelijke beslistermijn voor besluiten op aanvragen wordt door de minister in veruit de meeste gevallen niet meer gehaald, hoewel in alle gevallen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om de termijn van 90 dagen met drie maanden te verlengen.7 Uit de hiervoor vermelde openbare cijfers volgt dat in 2021 in 71% van de aanvragen MVV nareis en in 49% van de nareisaanvragen 8 EVRM AMV tijdig een beslissing werd genomen. In 2023 was dat 16% respectievelijk 9%. En uit de tertaalcijfers 2024 volgt dat die percentages verder teruggelopen zijn tot 9% respectievelijk 7%.

6. Behalve met de hoge instroom van nareisaanvragen, kampt de minister ook met capaciteitsproblemen. In 2023 was er bij de IND 170 fte beschikbaar voor het behandelen van nareisaanvragen. Inmiddels is het aantal fte opgeschaald naar 250, maar ook met die opschaling kan de instroom op dit moment (nog) niet worden bijgehouden. Om die instroom het hoofd te bieden is een verdere opschaling nodig. Daarbij is van belang dat - zoals de minister ter zitting liet weten - de IND moeite heeft met het werven van nieuwe medewerkers omdat er sprake is van een complexe situatie op de arbeidsmarkt. Opschaling wordt verder vertraagd doordat nieuwe medewerkers vanzelfsprekend nog intern moeten worden opgeleid, hetgeen drukt op de productiviteit van de meer ervaren medewerkers die deze opleiding verzorgen. De minister verwacht dat de capaciteitsverhoging voor het beslissen op nareisaanvragen pas vanaf januari 2026 zijn vruchten af zal gaan werpen.

7. Dat het in heel veel zaken niet lukt om binnen de wettelijke beslistermijn te

beslissen, merkt ook de rechtbank. Alleen al bij deze zittingslocatie is een forse toename zichtbaar in de (totale) aantallen beroepen tegen het niet tijdig beslissen: van ongeveer 100 in 2021 naar ruim 950 tot nu toe in 2024. Hoewel in deze zaken doorgaans uitspraak wordt gedaan zonder dat een zitting is gehouden, legt deze zaakstroom een fors groter beslag op de capaciteit van de rechtbank dan voorheen. De rechtbank moet in beginsel binnen acht weken uitspraak doen. Deze termijn wordt door de grote instroom van zaken in een groot deel van de zaken niet gehaald. Dat wringt omdat deze zaken juist gaan over het niet tijdig nemen van een beslissing. De rechtbank signaleert daarbij dat verweerder in het afgelopen jaar (ook in de periode vóór 15 januari 2024) steeds vaker niet in staat blijkt aan de uitspraken van de rechtbank te voldoen, wat resulteert in herhaalde beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit (soms tot een aantal malen toe) en herhaalde verbeurte van dwangsommen.

Oplossing van de structurele problemen en de verhouding tussen de staatsmachten

8. Vooropgesteld moet worden dat het niet de taak van de bestuursrechter is om een structurele, collectieve oplossing te bieden voor de problemen die de minister heeft bij het beslissen op een nareisverzoek. Het is in eerste instantie aan de wetgever om te voorzien in een wettelijke regeling of een andere voorziening of oplossing. De rechtbank ziet het als een bijzonder onwenselijke situatie dat de minister de wettelijke beslistermijnen structureel niet haalt en bovendien rechterlijke uitspraken op grote schaal niet nakomt en dwangsommen verbeurt. De rechtszekerheid komt in het gedrang en het ondermijnt de geloofwaardigheid van de rechtsstaat: de mate waarin de bestuursrechter effectief rechtsbescherming kan bieden, hangt immers mede af van de naleving van rechterlijke uitspraken door de minister. De wetgever heeft vooralsnog geen houdbare oplossing geboden.

Fifo-principe

9. De minister heeft met de introductie van het ‘first in first out’ (hierna: fifo)- principe bovengenoemde onwenselijke situatie willen veranderen. De minister heeft besloten per 15 januari 2024 voor nareisaanvragen volledig over te stappen op het fifo-principe om de verwerking van nareisaanvragen efficiënter en voorspelbaarder te maken, recht te doen aan het principe dat degene die het langst wacht het eerste aan de beurt komt en aanvragers op betrouwbare wijze te kunnen informeren over het moment waarop hun aanvraag in behandeling zal worden genomen. Werken volgens het fifo-principe houdt concreet in dat nareisaanvragen in behandeling worden genomen in de volgorde waarin zij zijn ontvangen. De IND werkt daarmee van de oudste zaak in de voorraad naar de jongste zaak in de voorraad. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat het fifo-principe geldt voor alle aanvragen die bij de IND bekend zijn, ook indien de aanvraag en/of het beroep vóór 15 januari 2024 is/zijn ingediend.

10. Ter zitting heeft de minister meer context geschetst met betrekking tot het hanteren van het fifo-principe. De minister heeft aangegeven het fifo-principe te hanteren om het beslisproces efficiënter te laten verlopen en om daarbij duidelijker en eerlijker te zijn naar de vreemdeling. De minister heeft uitgelegd dat het systeem van beroepen niet tijdig beslissen een efficiënt beslisproces van de IND in de weg staat, nu in de afgelopen jaren veel tijd aan de beroepen moest worden besteed en de behandeling van een dossier waarin een beroep niet tijdig beslissen speelt fors meer tijd kost dan een aantal jaar geleden. Nu het fifo-principe wordt gehanteerd heeft het indienen van een beroep niet tijdig beslissen en het opleggen van een dwangsom volgens de minister niet meer het beoogde ‘prikkel’ effect. De hantering van het fifo-principe betekent namelijk dat alle zaken in de kast blijven liggen totdat zij volgens het fifo-principe aan de beurt zijn, ongeacht of en wanneer een beroep niet tijdig beslissen wordt ingediend. Een beroep niet tijdig beslissen alsook de uitspraak op dat beroep leidt niet langer tot een snellere beslissing op de aanvraag, aldus de minister. Een zaak kan slechts voorrang krijgen in geval van uitzonderlijke situaties en/of bijzondere omstandigheden.

11. De rechtbank stelt voorop dat in de huidige situatie - capaciteitsgebrek en grote achterstanden - een snelle oplossing van de problemen die zich voordoen bij het beslissen op nareisaanvragen niet in zicht is. De rechtbank ziet ook dat ondanks de inspanningen van de minister het probleem de afgelopen jaren eerder groter dan kleiner is geworden. De situatie waarin de beslispraktijk van de minister volledig vastloopt en vreemdelingen geen duidelijkheid meer krijgen over de vraag of hun familie weer herenigd kan worden komt steeds dichterbij. Dat betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt om de problemen het hoofd te bieden. Niets doen leidt ertoe dat door het beroep niet tijdig beslissen besluitvorming op de aanvraag naar voren wordt gehaald waardoor anderen die ook een nareisaanvraag hebben gedaan en op een beslissing wachten nog langer moeten wachten. Hoe meer beroepen niet tijdig beslissen worden ingediend hoe langer anderen moeten wachten. De forse toename van beroepen niet tijdig beslissen leidt er ook toe dat de rechtspraak zwaarder belast wordt en de effectiviteit van die beroepen kleiner wordt omdat de doorlooptijden bij de rechtbank oplopen. Op basis van de toename van de aantallen in de afgelopen jaren is te verwachten dat niets doen zal leiden tot verdere toename van het aantal beroepen niet tijdig beslissen en dus van een zwaardere belasting van de rechtspraak en het verder teruglopen van de effectiviteit van die beroepen. Tenslotte, zo heeft de minister ook ter zitting uitgelegd zal de uitvoering nog verder vastlopen waardoor de voorraden verder oplopen en beslissingen langer op zich laten wachten. Deze gevolgen zijn zo omvangrijk en ingrijpend dat, naar het oordeel van de rechtbank, de keuze om in dit soort zaken het fifo-principe te hanteren aanvaardbaar is. Dat het hanteren van dat fifo-principe leidt tot het beperken van rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid weegt daarbij zwaar.

12. Het is nu de vraag in hoeverre de rechtbank rekening houdt met het door de minister gehanteerde fifo-principe bij het bepalen van de nieuwe beslistermijn om op nareisaanvragen te beslissen. Hieronder gaat de rechtbank daar verder op in.

Welke nieuwe beslistermijn moet worden opgelegd?

13. Als de minister zich niet houdt aan de beslistermijnen die volgen uit de Vreemdelingenwet, en ook na een ingebrekestelling niet binnen twee weken alsnog een besluit neemt, kan een vreemdeling bij de rechtbank een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit instellen. Als een dergelijk beroep gegrond is, is het uitgangspunt dat de minister binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Dat staat in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb. Op grond van het tweede lid van dat artikel verbindt de rechter aan de uitspraak een dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft na te leven. In het derde lid staat dat de rechter in bijzondere gevallen een andere termijn kan bepalen.

14. Gelet op de grote achterstanden en de beperkte capaciteit is duidelijk dat het de minister niet zal lukken om binnen twee weken een zorgvuldig besluit te nemen. Er is dan ook sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb op grond waarvan de rechtbank een andere termijn zal bepalen.

15. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de rechter een termijn moet stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560). De rechter mag geen nadere termijn stellen waarvan op voorhand duidelijk is dat het bestuursorgaan deze niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. Ook als het bestuursorgaan eerder met de procedure voor het nemen van een besluit had kunnen beginnen, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat de rechter een kortere termijn stelt dan nodig is voor zorgvuldige besluitvorming.

16. In de uitspraak van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2644) heeft de Afdeling bepaald dat de beslistermijnen die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem in de uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590) aan de verschillende fasen in de besluitvorming verbindt, redelijk zijn. In de genoemde uitspraak heeft de Afdeling het door de minister sinds 15 januari 2024 gehanteerde fifo-principe nog niet betrokken in haar beoordeling.

17. De rechtbank is van oordeel dat de enige termijn die onder de huidige omstandigheden niet onrealistisch kort is, een termijn is die de minister in staat stelt - ook wanneer een beroep niet tijdig beslissen is ingesteld - het fifo-principe te hanteren. Elke kortere termijn biedt de minister slechts een theoretische mogelijkheid om in (alle) dossiers waarin een beroep niet tijdig beslissen is ingesteld binnen de door de rechter gestelde termijn alsnog te beslissen. Het aantal beroepen niet tijdig beslissen is simpelweg te groot om elk dossier ‘bovenaan de stapel’ te kunnen leggen en met voorrang op oudere dossiers te behandelen. Daarbij zorgt het hanteren van kortere termijnen voor een nog altijd sterk groeiend percentage beroepen niet tijdig beslissen. Dit doorkruist niet alleen een efficiënt beslisproces van de minister in zijn algemeenheid, maar leidt ook onvermijdelijk tot een situatie waarbij in het overgrote deel van de openstaande nareiszaken een beroep niet tijdig beslissen wordt ingesteld. Zodra een dergelijke situatie wordt bereikt, valt er helemaal niets meer te veranderen aan de voorrang in behandeling van dossiers (ook niet als bijzondere omstandigheden daar om vragen).

De rechtbank benadrukt dat zij in het onderhavige beroep geen aanleiding heeft te veronderstellen dat het beroep is ingesteld met het oog op een ander belang dan dat van het verkrijgen van een snelle beslissing. De rechtbank hecht eraan te signaleren dat het vasthouden aan (onrealistisch) korte beslistermijnen ook het risico meebrengt dat het instellen van een beroep niet tijdig beslissen enkel leidt tot van het verbeuren van dwangsommen, terwijl het niet leidt tot een eerdere beslissing.


18. De rechtbank is zich ervan bewust dat de Afdeling zich bij uitspraak van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209) heeft uitgelaten over nadere beslistermijnen die de Belastingdienst/Toeslagen met het oog op de wens toe te werken naar een beslisproces volgens het fifo-principe had gevraagd. De Afdeling achtte destijds de gevraagde beslistermijnen voor een individueel geval onnodig lang en te zeer afwijkend van hetgeen de wetgever met artikel 8:55d van de Awb voor ogen stond. De rechtbank erkent dat het hanteren door de minister van het fifo-principe een aantal belangen dient die niet specifiek op eisers zijn toegesneden. Van belang is echter dat het afwijken van het fifo-principe leidt tot (feitelijk) onrealistisch korte termijnen. Het belang van eisers is ook gediend met het blijven hanteren van dat principe. Daarmee krijgen zij immers meer duidelijkheid over de termijn die met de verdere behandeling van hun aanvraag zal zijn gemoeid.

19. Dit beroep wijkt overigens in zoverre af van de voornoemde uitspraak dat de minister niet slechts de wens heeft toe te werken naar een fifo-systeem, maar inmiddels de meer drastische keuze heeft gemaakt geheel volgens het fifo-principe te werken. De minister neemt het verbeuren van dwangsommen inmiddels volledig op de koop toe omdat het hanteren van een kortere termijn nu eenmaal niet realistisch is. Een uitspraak op een beroep niet tijdig beslissen van deze rechtbank zal geen verandering brengen in de volgorde van behandeling van aanvragen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat als de rechtspraak de minister toch zou willen dwingen het fifo-principe los te laten in dossiers waarin een beroep niet tijdig beslissen speelt, het enige instrument daarvoor een onevenredige verhoging van de op te leggen dwangsommen zou zijn.

20. Het handhaven van het fifo-principe heeft tot gevolg dat het niet mogelijk is om bij een beroep niet tijdig beslissen vast te stellen welke eventuele onderzoekshandelingen de minister nodig acht in de procedure om tot een zorgvuldig besluit te komen. De minister heeft in zaken zoals de onderhavige nog geen onderzoekshandelingen verricht en heeft ook nog geen zicht op de nog eventueel uit te voeren onderzoekshandelingen. Om de eventueel uit te voeren onderzoekshandelingen te bepalen, moet immers eerst het dossier worden geopend. En dat gebeurt als het fifo-principe wordt gehanteerd pas op het moment dat de aanvraag ‘aan de beurt is’. Voor de rechtbank is het daarom niet mogelijk om bij het bepalen van de nadere beslistermijn aan te sluiten bij of en welke onderzoekshandelingen nog verricht moeten worden.

21. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van de huidige bestaande termijnen volgens het Arnhemse sporenmodel in zaken als onderhavige niet resulteert in een realistische, haalbare beslistermijn. De rechtbank hanteert daarom dat sporenmodel niet. De vraag is vervolgens welke beslistermijn redelijk, haalbaar, niet onrealistisch kort of onrealistisch lang is.

22. Bij het bepalen van de lengte van de termijn houdt de rechtbank rekening met het in de gegeven omstandigheden noodzakelijk geachte fifo-principe van de minister en met het belang van de vreemdeling om duidelijkheid te krijgen over wanneer een beslissing op de aanvraag kan worden verwacht.

23. In recente verweerschriften wordt door de minister steeds aangegeven in welke maand met de behandeling van de aanvraag van een individuele eiser volgens het fifo-principe een start kan worden gemaakt. De rechtbank vindt een beslistermijn van 90 dagen vanaf het moment dat de aanvraag gelet op het fifo-principe ter hand wordt genomen, redelijk, haalbaar en niet onrealistisch kort of onrealistisch lang. De rechtbank heeft bij het opleggen van die beslistermijn aansluiting gezocht bij de standaard wettelijke beslistermijn op reguliere aanvragen. De rechtbank benadrukt dat deze zeer lange beslistermijn slechts als tijdelijke oplossing dient te fungeren. Om de rechtszekerheid en effectieve rechtsbescherming voor eisers en andere aanvragers te kunnen blijven waarborgen, is het noodzakelijk het probleem dat zich nu voordoet bij het beslissen op nareisaanvragen op een structurele manier op te lossen.

Rechterlijke dwangsom

24. De minister heeft verzocht om de hoogte van de rechterlijke dwangsom te beperken tot € 50,- per dag, met een maximum van € 7.500,-. Aan dit verzoek legt de minister ten grondslag dat op voorhand al duidelijk is dat de minister een zo ruim mogelijke beslistermijn van twintig weken niet zal halen. Door het verlagen van de bedragen duurt het langer tot dat de rechterlijke dwangsom is volgelopen, wordt enigszins voorkomen dat het systeem verstopt raakt en wordt de staatskas niet met onnodig hoge kosten opgezadeld.

25. Gelet op de langere – en realistische - beslistermijn die nu wordt gegeven ziet de rechtbank geen aanleiding een lagere dwangsom vast te stellen.

Concrete toepassing in deze zaak

26. Hiervoor heeft de rechtbank uitgangspunten vastgesteld voor de beoordeling van beroepen niet tijdig beslissen op aanvragen om een machtiging voorlopig verblijf in het kader van nareis. Hierna past de rechtbank deze uitgangspunten toe in onderhavige zaak.

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

27. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

28. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

29. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen (artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw)). De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.

30. Het beroep is daarom gegrond.

Welke nieuwe beslistermijn moet worden opgelegd?

31. De minister geeft in zijn verweerschrift aan naar verwachting de aanvraag van eiser in februari 2025 in behandeling te kunnen nemen.

32. Met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 23 is de nieuwe beslistermijn 90 dagen vanaf 1 februari 2025. Dit betekent dat de minister vóór 2 mei 2025 een beslissing op de aanvraag van eisers bekend dient te maken.

De rechterlijke dwangsom

33. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.

De bestuurlijke dwangsom en proceskosten

34. Op verzoek stelt de rechtbank de hoogte vast van de bestuurlijke dwangsom die de minister op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eisers hebben verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op
€ 1.442,-.

35. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat eisers zijn vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft de minister dit niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    draagt de minister op vóór 2 mei 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.

  • -

    bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;

  • -

    stelt de hoogte van de door de minister aan eisers verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
    € 1750,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzitter, mr. M.W. de Jonge en mr. S. Ketelaars-Mast, rechters, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Oekraïner die in het buitenland studeerde en even via Oekraïne naar Nederland kwam hoeft niet onder Richtlijn te vallen

Is de Richtlijn van toepassing op eiser?

3.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat eiser op 24 februari 2022 niet in Oekraïne woonde. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 2, eerste lid onder a van de Uitvoeringsregeling in samenhang met het bepaalde in artikel 3.1a, eerste lid onder a van het Vb. De vraag is vervolgens of eiser wel voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV in samenhang met artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb.

3.5.

Volgens de tekst van artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV zijn als vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb, aangewezen vreemdelingen die de Oekraïense nationaliteit hebben en die na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met

23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd.

3.6.

Vaststaat dat eiser niet in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie is gereisd. De door de rechtbank te beantwoorden vraag is of eiser beschouwd moet worden als vreemdeling die Oekraïne na

26 november 2021 is ontvlucht.

3.7.

De rechtbank legt artikel 3.9a, eerste lid, onder a, van het VV zo uit dat met ‘ontvlucht zijn’ wordt bedoeld dat de bepaling betrekking heeft op ontheemden, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder c, van de Richtlijn. De bepaling van het VV is immers de uitwerking van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit dat is gebaseerd op de Richtlijn. Ontheemden zijn in de definitie van de Richtlijn onderdanen van derde landen of staatlozen die hun land of regio van oorsprong hebben moeten verlaten.

3.8.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet als ontheemd als bedoeld in de Richtlijn en het VV kan worden beschouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser ten tijde van de Russische invasie vanwege studie al enige jaren in [ land 1] woonde en dat hij die studie nog niet had afgerond. Hij had derhalve zijn hoofdverblijf in [ land 1] . Dat hij zijn huisvesting had opgezegd is niet doorslaggevend omdat eiser heeft aangegeven nog te willen terugkeren om de studie af te ronden. Verder hecht de rechtbank betekenis aan het feit dat eiser, voordat hij in oktober 2023 naar Oekraïne ging, eerst nog een week in [land 2] heeft verbleven en daarnaast voor drie maanden een visum voor [land 3] heeft gevraagd en gekregen. Ten slotte is eiser al relatief snel na aankomst in Oekraïne weer vertrokken. Eiser was op een ander adres in Oekraïne geregistreerd. De rechtbank leidt uit deze gegevens geen intentie af om zich weer duurzaam in Oekraïne te vestigen.

3.9.

Dat verweerder deze eis stelt aan naar Oekraïne teruggekeerde en daarna weer vertrokken personen acht de rechtbank niet onjuist. Voor het oordeel dat deze uitleg redelijk is acht de rechtbank ook relevant dat het hier gaat om een facultatieve bepaling. Bij de uitleg van een dergelijke bepaling dient het bestuursorgaan enige ruimte gegund te worden. De rechtbank wijst wat dit betreft ook op de uitleg van verweerder in zijn brief van 30 maart 20227, waarin onder andere is opgenomen dat Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europa verbleven niet onder de Richtlijn vallen. Er is geen reden om aan te nemen dat dit zou betekenen dat dit anders zou zijn voor Oekraïners die zich op de betreffende datum niet in Europa maar in een ander land bevonden. In de openbare Werkinstructie 2022/17 van de IND is dit ook als zodanig opgenomen.8

3.10.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf onder de werking van de Richtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.


3.10.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf onder de werking van de Richtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Had eiser gehoord moeten worden?

4. Eiser heeft gesteld dat het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel vereisen dat hij voorafgaand aan de beslissing gehoord had moeten worden.

4.1.

De rechtbank oordeelt dat de bedoeling van verweerder is geweest dat de procedure voor beoordelen van aanvragen voor bescherming onder de Richtlijn snel moest plaatsvinden. Uit de brief van verweerder van 30 maart 20229 blijkt dat voor het afhandelen van deze aanvragen een vereenvoudigde procedure is voorzien, waarin een aantal handelingen later wordt gedaan, zoals bijvoorbeeld het aanmeldgehoor. Gezien de grote hoeveelheid te behandelen aanvragen en de bedoeling om die zo snel mogelijk te verwerken zonder het asielsysteem verder te belasten acht de rechtbank het niet onterecht dat verweerder de aanvrager niet al direct hoort. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Had een ambtshalve beoordeling moeten plaatsvinden?

5. Eiser is van mening dat verweerder ambtshalve had moeten beoordelen of hij in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier onder een andere beperking. Eiser stelt dat daarbij een belangenafweging had moeten plaatsvinden die in het voordeel van eiser zou zijn uitgevallen. Verweerder wijst erop dat beoogd is een snelle procedure te volgen en dat, als de belanghebbende na het einde van de tijdelijke bescherming van de Richtlijn alsnog een asielaanvraag doet, de belangenafweging en/of ambtshalve toets alsnog zal plaatsvinden.

5.1.

De rechtbank oordeelt als volgt. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.1. reeds is opgemerkt geldt ook op dit punt dat de procedure die op basis van de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit is ingericht een versoberde procedure is waarin slechts een beperkte toetsing plaatsvindt. Bij een dergelijke procedure past geen ambtshalve beoordeling of de aanvrager wellicht voor een andere verblijfstitel in aanmerking komt. Bovendien geldt dat, indien de tijdelijke bescherming wordt verleend, de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft tot de einddatum van de tijdelijke bescherming. Wordt de tijdelijke bescherming niet verleend dan kan de vreemdeling een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning asiel of regulier. In dat geval zal de normale aanvraag- en beoordelingsprocedure met waar nodig de vereiste belangenafweging plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming onder de werking van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.


Rechtbank Groningen 16 augustus 2024 https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13059



...

15 augustus 2024

UiTSPRAAK: uitzetten naar Marokko kan en meneer weigert mee te werken

"De rechtbank oordeelt dat ook in de periode tussen het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure en het opheffen van de maatregel zicht op uitzetting aanwezig was. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen.1 De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent. Uit de M120 blijkt dat eiser niet meewerkend is geweest, bijvoorbeeld door te camoufleren dat hij Marokkaans-Arabisch spreekt. Ook om deze reden was er tot aan de opheffing van de maatregel zicht op uitzetting."

Heeft uw client wat aan een Britse "ancestry" vergunning?

Voorwaarden:

  • be a Commonwealth national
  • be 17 years old or over
  • have at least one grandparent born in the UK or Islands; Ireland (if before 31 March 1922); or, in certain circumstances, on a British-registered ship or aircraft
  • be able to work and intend to seek employment or work in the UK; and
  • be able to “maintain and accommodate” himself or herself and any dependant in the UK, without recour

12 augustus 2024

Brits gerechtshof stelt vragen over Somalische en Eritrese lp's nodig voor uitzetting

Tribunal orders Home Office to disclose information on emergency travel documents for Somalia and Eritrea

The Home Office has been ordered to disclose data on the numbers of emergency travel documents issued for Eritrea and Somalia, and how long it took for those documents to be issued, after refusing to provide the information in response to a request made under the Freedom of Information Act 2000. The case is Bail for Immigration Detainees v Information Commissioner [2024] UKFTT 714 (GRC).

Background

On 23 August 2022 and 21 September 2022 Bail for Immigration Detainees (BID) submitted two freedom of information requests to the Home Office. They sought information the following for both Somalia and Eritrea for the years 2019 onwards:

  1. How many emergency travel document requests were submitted?
  2. How many emergency travel document requests were granted?
  3. How many foreign national offenders were granted emergency travel documents?
  4. How many of those foreign national offenders were subsequently removed?
  5. How long on average did it take for the documents to be issued?
  6. How many emergency travel documents were issued for people deemed not to be cooperating with the process?

VACATURE: Operationeel Manager Implementatie en Borging Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) · Den Haag

De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bij de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap (RVN) een vacature voor de functie van Operationeel Manager Implementatie en Borging (FGR: Manager S13). Het betreft hier een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voorafgaand aan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan een jaarcontract worden aangeboden.

In deze functie behoort hybride werken tot de mogelijkheden. Daarbij wordt verwacht dat je op locatie in Den Haag aanwezig bent op momenten dat het voor de uitvoering van je functie of om organisatorische redenen gewenst is. Afstemming hierover gaat in overleg met je leidinggevende.

De afdeling Business Innovation & Supprt (BIS) wordt uitgebreid van vier naar vijf teams. De reeds bestaande vakgroepen implementatiecoördinatoren en adviseurs borgen en beheer worden binnen de afdeling BIS samen gevoegd in een nieuw, vijfde team: Implementatie en Borging. Dit nieuwe team bestaat uit 26 fte.

Zie jij voor je hoe je als manager de ruimte neemt om het team te ontwikkelen op implementatie, procesbeschrijvingen en correspondentie in de vernieuwing? En weet je jouw team van enthousiaste professionals zo te inspireren dat ze hun expertise optimaal kunnen omzetten in resultaten voor de organisatie? Lees dan verder.

Wat ga je doen?

“Als operationeel manager van het team Impementatie en Borging geef jij leiding aan een team bestaande uit een vakgroep implementatiecoördinatoren en een vakgroep adviseurs beheer, die een diverse portefeuille aan opdrachten hebben. Met de implementatiecoördinatoren faciliteer je de implementatie van nieuwe wet- en regelgeving en ondersteun je het projectenportfolio en in het bijzonder de vernieuwing bij het implementeren van de veranderingen. Onze adviseurs beheer faciliteren de IND directies bij het maken en beheren van procesinstructies, systeeminstructies, correspondentie en Informatie en Kennis (I&K) pagina's”.

Samen met je vier collega managers en je afdelingshoofd vorm je het MT van BIS en geef je invulling aan de IND-brede opdracht op het snijvlak van business en IT. Het team Implementatie & Borging (I&B) speelt een belangrijke rol bij de implementatie en borging in de vernieuwing van de IND. Hiervoor staat het team dicht bij de operationele directies om samen invulling te geven aan de gewenste vernieuwing en ontwikkeling. Buiten jouw team bestaat de afdeling BIS verder uit nog vier teams waarin onder meer functioneel beheer, innovatiemanagers, product owners, adviseurs kwaliteit, projectleiders en brede adviseurs zijn ondergebracht.

Je hebt van nature een coachende managementstijl; je laat medewerkers excelleren en laat mensen tot hun recht komen vanuit een open en eerlijke houding. Je stimuleert talent en ziet diversiteit als een basis om tot betere resultaten te komen.

Om deze opgave te realiseren zoeken we een open en verbindende persoonlijkheid, communicatief sterk in woord en geschrift, resultaatgericht en met een uitstekende antenne voor wat er in de organisatie en het team speelt.

Functie-eisen

Wij zijn op zoek naar een ervaren professional met aantoonbare ervaring in het begeleiden van veranderingen in teams en organisaties. Je bent vaardig in het ontwikkelen, uitdragen en realiseren van nieuwe ideeën en concepten. Ook heb je inzicht in organisatorische, procesmatige en vakinhoudelijke samenhang in bredere context dan je eigen werkterrein. Met een coachende leiderschapsstijl weet je jouw team te inspireren en richting te geven. Je bent doortastend en besluitvaardig, en je kunt snel kennis opdoen van en inzicht krijgen in de primaire IND-processen én hebt affiniteit met vraagstukken die spelen op het snijvlak tussen business en IV. Je bent in staat om verbinding te maken op alle niveaus en het juiste gesprek tussen deze lagen te faciliteren. Daarnaast beschik je over uitstekende mondelinge en schriftelijke vaardigheden en ben je een open en positieve persoonlijkheid waarmee het prettig samenwerken is.

Herken jij jezelf in deze beschrijving? Dan maken wij graag kennis met jou!

Herken jij jezelf hierin?

  • Minimaal een afgeronde hbo opleiding;
  • Minimaal 3 jaar aantoonbare managementervaring;
  • Je hebt affiniteit en/of ervaring met verandermanagement;
  • Je hebt affiniteit met vraagstukken op het snijvlak van business en Informatievoorziening (IV).

In je sollicitatie zien we graag naar voren komen waarom je enthousiast wordt van leiding geven aan team Implementatie en Borging. Wij zijn ook nieuwsgierig naar je ervaring met het begeleiden van veranderingen in teams en organisaties. Daarnaast is het voor ons belangrijk te begrijpen waarom je specifiek een bijdrage wilt leveren aan de IND en hoe jouw vaardigheden en visie aansluiten bij de doelen van onze organisatie.

Wij kijken uit naar je sollicitatie!

Competenties

  • Organisatiesensitiviteit;
  • Bestuurssensitiviteit;
  • Omgevingsbewustzijn;
  • Klantgericht;
  • Netwerken;
  • Aansturen organisatie;
  • Reflecteren;
  • Stressbestendig.

Arbeidsvoorwaarden

  • Salarisniveau

schaal 13



Maandsalaris: Min €5212 - Max €7747

Interview met Mauro die aan de wieg stond van het Kinderpardon maar wiens eigen zaak anders in elkaar stak

Mauro heette toch anders? Dit is de man die bekend werd als "het jochie met de traan" en de discussie over gehechtte kinderen op gang bracht. Nou had Mauro jarenlang als alleenreizende minderjarige asielzoeker rechtmatig verblijf gehad maar zou hij weg hebben gemoeten omdat hij een volwassen man was geworden. Dat is een ander verhaal dan van de Armeense kinderen die hier met hun ouders als uitgeprocedeerden bleven en zo verblijfsjaren opbouwden.

Mauro kreeg ook geen pardon maar een verblijfsvergunning voor studie.

Lees hier het interview:https://fashionunited.nl/nieuws/mode/ondernemersverhaal-mauro-wilson-estevao-wil-met-kledingmerk-mausons-tonen-hoe-het-anders-kan/2022111655400

 

Premier Schoof over de Armeense jongen Mikael die met zijn moeder die zal worden uitgezet - Trouw

. “We willen iets doen aan de immigratie, we willen iets doen aan het versnellen van de procedure. Tegelijk zullen er altijd individuele zaken zijn waarin je leed toebrengt aan mensen. Maar je moet dan toch in de integriteit van de besluitvorming vertrouwen. Op een gegeven moment is een besluit een besluit.” zei premier Schoof.

Lees hier het artikel: https://www.trouw.nl/cs-b11ffdbd/

Aanbevolen post

Wytzia Raspe over vluchtelingen, AZC’s, cruiseschepen en mensensmokkelaars

Mr. van de week is Wytzia Raspe. Zij is 25 jaar jurist vreemdelingenrecht in allerlei verschillende rollen. Sinds 2005 schrijft en blogt z...