Posts tonen met het label Dereci. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dereci. Alle posts tonen

15 maart 2012

Geldt Zambrano-arrest ook voor ouders van kinderen die (nog) niet in Nederland verblijven? (uitspraak Raad van State)

LJN: BV8631, Raad van State , 201105729/1/V1
Datum uitspraak: 07-03-2012
Datum publicatie: 13-03-2012
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: De vreemdeling betoogt terecht dat de arresten Ruiz Zambrano en Dereci ook betekenis hebben in een geval als het hare, waarin de kinderen, als minderjarige burgers van de Unie, zich buiten het grondgebied van de Unie bevinden. Uit voormelde arresten volgt dat het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ten minste het verblijf van die burger op het grondgebied van de Unie inhoudt. Hoewel de feitelijke situatie in voormelde arresten zodanig was dat de desbetreffende minderjarige burgers van de Unie zich op het grondgebied van de Unie bevonden, is de ontzegging van het effectieve genot van dat verblijfsrecht, in geval van een minderjarige burger van de Unie die ten laste komt van een ouder, staatsburger van een derde land, en die door de mate van afhankelijkheid van die ouder feitelijk verplicht wordt het grondgebied van de Unie met deze te verlaten, niet anders dan in geval hem feitelijk de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd, omdat aan de ouder van wie hij in vorenbedoelde zin afhankelijk is geen toegang tot het grondgebied van de Unie wordt verleend. In beide gevallen is immers evenzeer sprake van de uitzonderlijke situatie, als bedoeld in punt 67 van het arrest Dereci, dat de nuttige werking wordt ontnomen aan het staatsburgerschap van de Unie dat de desbetreffende minderjarige toekomt. De vreemdeling betoogt evenzeer terecht dat het besluit van 6 oktober 2010 in strijd is met artikel 20 van het VWEU en dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat, wanneer zij in Indonesië verblijft, de kinderen bij hun grootouders in Nederland kunnen verblijven. Daargelaten of de grootouders feitelijk bereid en in staat zijn de kinderen op te vangen, is, zoals is vermeld in punt 44 van het arrest Ruiz Zambrano en herhaald in punt 65 van het arrest Dereci, de vraag of minderjarige burgers van een lidstaat van de Unie die ten laste komen van hun ouders, staatsburgers van een derde land, het grondgebied van de Unie moeten verlaten indien aan die ouders het recht wordt ontzegd in de desbetreffende lidstaat te verblijven, bij het Hof slechts gerezen vanuit het enkele uitgangspunt dat een dergelijke weigering de kinderen zal verplichten de ouders te volgen. Bij de beantwoording van die vraag heeft het Hof derhalve uitsluitend relevant geacht of de desbetreffende kinderen, door beide ouders (in het geval van Ruiz Zambrano) of één van beide ouders (in het geval van Dereci) te volgen, feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In dit geval is de vreemdeling de enige ouder van de kinderen en zijn zij, omdat zij minderjarig zijn en te haren laste komen, derhalve verplicht haar te volgen in haar verblijf in Indonesië. Gelet hierop heeft de minister in het besluit van 6 oktober 2010 niet deugdelijk gemotiveerd dat de daarin vervatte weigering de vreemdeling een mvv te verlenen, niet tot gevolg heeft dat haar kinderen feitelijk niet op het grondgebied van de Unie kunnen verblijven.

Bron: rechtspraak.nl

Law Blogs
Law blog Klik op +1 als u dit een interessant artikel vindt en Google zal het dan beter zichtbaar maken in de zoekresultaten.

28 februari 2012

Familieleven: Sanade and others (British children – Zambrano – Dereci)

We hebben het hier al eerder over deze Britse "Zambrano"-zaak gehad. Asad Ali Khan, een Brits-Pakistaanse advocaat, legt in zijn Weblog het zo uit:

"In sum, the UT concluded that:
  • Section 32 of the UK Borders Act 2007 provides that where a person is sentenced to imprisonment of 12 months or more, he must be deported unless he falls within one of the statutory exceptions.   
  • Article 8 provides one such exception but there is no justification for saying that it will only be in exceptional circumstances that removal will violate the family’s protected Article 8 rights or that the claim itself must be exceptional: the issue is whether the State can justify the interference as necessary, that is say a proportionate and fair balance in pursuit of a legitimate aim. 
  • The more serious the offending, the stronger is the case for deportation, but Parliament has not stated that every offence serious enough to merit a penalty of twelve months or more imprisonment makes interference with human rights proportionate.
  • ZH (Tanzania) v SSHD [2011] UKSC 4 considered in what circumstances it was permissible to remove or deport a non-citizen parent where the effect would be that a child who is a citizen of the United Kingdom would also have to leave.  The fact the children are British was a strong pointer to the fact that their future lies in the United Kingdom.
  • Case C-34/09 Ruiz Zambrano , BAILII: [2011] EUECJ C-34/09, now makes it clear that where the child or indeed the remaining spouse is a British citizen and therefore a citizen of the European Union, as a matter of EU law it is not possible to require the family as a unit to relocate outside of the European Union or for the Secretary of State to submit that it would be reasonable for them to do so.
  • Where in the context of Article 8 one parent (“the remaining parent”) of a British citizen child is also a British citizen (or cannot be removed as a family member or in their own right), the removal of the other parent does not mean that either the child or the remaining parent will be required to leave, thereby infringing the Zambrano principle, see C-256/11 Murat Dereci, BAILII: [2011] EUECJ C-256/11. The critical question is whether the child is dependent on the parent being removed for the exercise of his Union right of residence and whether removal of that parent will deprive the child of the effective exercise of residence in the United Kingdom or elsewhere in the Union. 
  • Where the claimant’s conduct is persistent and/or serious the interference with family life may be justified even it involves the separation of the claimant from his family who reasonably wish to continue living in the United Kingdom, Lee v SSHD [2011] EWCA Civ 348.
  • The principles for evaluating Article 8 claims in criminal deportation cases are to be found in the Strasbourg jurisprudence of Boultif v Switzerland (no.54273/00) [2001] ECHR 479; Uner v Netherlands (no 46410/99) [2006] ECHR 873 and Maslov v Austria  (no. 1638/03)  [2008] ECHR 546.
  • In cases of the importation and supply of significant quantities of class A drugs, Strasbourg has recognised why states show great severity to such foreign offenders but there is no special principle in cases of importation or supply of drugs.  Deportation must always be proportionate."

Bron: http://networkedblogs.com/uuoPB

Law Blogs
Law blog Klik op +1 als u dit een interessant artikel vindt en Google zal het dan beter zichtbaar maken in de zoekresultaten.

14 januari 2012

Zambrano en Dereci-arresten geven alleen verblijfsrecht als EU-onderdaan gedwongen moet vertrekken (uitspraak)

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Assen
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer

Zaaksnummer: AWB 11/16471 BEPTDN S2

Uitspraak van de rechtbank van 3 januari 2012

(....)

Eiseres heeft, onder verwijzing naar het arrest Zambrano van het Europese Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011 (C-34/09), aangevoerd dat haar als ouder van twee Nederlandse kinderen een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).

In artikel 20 van het VWEU is opgenomen dat burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit en dat de burgers van de Unie de rechten genieten en de plichten hebben die bij de Verdragen zijn bepaald. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 2 maart 2010 (C-135/08, Rottmann) verzet artikel 20 VWEU zich tegen nationale maat¬regelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten.

In het hiervoor genoemde arrest Zambrano heeft het Hof overwogen dat het effectieve genot wordt ontzegd wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen, aldus het Hof.

Naar aanleiding van een verzoek van het Verwaltungsgerichtshof Oostenrijk om nadere uitleg van bovengenoemde overweging uit het arrest Zambrano, heeft het Hof bij arrest van 15 november 2011 geantwoord (2011, C-256/11, in onder meer de zaak Dereci) dat artikel 20 VWEU zich er niet tegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, wiens echtgenote en minderjarige kinderen burger van de Unie zijn, het recht van verblijf ontzegt in die lidstaat, tenzij een dergelijke ontzegging met zich meebrengt dat de burger van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste rechten die hij aan het burgerschap ontleent. Volgens het Hof volgt uit het arrest Zambrano dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Dit is volgens het Hof een criterium van zeer bijzondere aard. Het enkele feit dat het voor een staatsburger van een lidstaat misschien wenselijk is – om economische redenen of om de eenheid van de familie op het grondgebied van de Unie te bewaren – dat de leden van zijn familie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, bij hem op het grondgebied van de Unie verblijven, volstaat volgens het Hof niet om aan te nemen dat de burger van de Unie verplicht zal worden om het grondgebied van de Unie te verlaten indien een dergelijk recht niet wordt toegekend.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beroep van eiseres op het arrest Zambrano niet opgaat. Referent en de kinderen worden immers niet feitelijk verplicht om het grondgebied van de Unie te verlaten. Het enkele feit dat het wenselijk is om de eenheid van de familie te bewaren, volstaat niet om aan te nemen dat de burger van de Unie verplicht zal worden om het grondgebied van de Unie te verlaten.

Voorts heeft eiseres zich beroepen op het bepaalde in de Richtlijn vrij verkeer Unieburgers en hun gezinsleden (de Gezinsherenigingsrichtlijn, 2004/38/EG). De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 3, derde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn deze richtlijn niet van toepassing is op gezinsleden van een EU-burger. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in rechtsoverweging 48 van het hierboven aangehaalde arrest Dereci. De stelling van eiseres dat een minder gunstige behandeling van Nederlanders dan van derdelanders in strijd zou zijn met artikel 8 en artikel 14 EVRM, volgt de rechtbank dan ook niet.

De rechtbank is gelet op het voorgaande en anders dan eiseres van oordeel dat artikel 20 VWEU noch de Gezinsherenigingsrichtlijn in de weg staan aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer de uitspraak van 26 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland; JV 2007/251) dient, ook indien geen sprake is van inmenging in de zin van artikel 8 EVRM, een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de vreemdeling en anderzijds het algemeen belang van de betreffende lidstaat waarbij alle van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar moeten worden betrokken. Bij die belangenafweging zal beoordeeld moeten worden of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst. Als, zoals in het onderhavige geval, het gezinsleven is begonnen op een moment waarop de betrokken personen wisten dat de vreemdeling illegaal was, zal slechts onder zeer uitzon¬der¬lijke omstandigheden kunnen worden gezegd dat verblijfsweigering een schending van artikel 8 EVRM oplevert.

Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Angola uit te oefenen, nu referent als vluchteling naar Nederland is gekomen en hem een asielvergunning is verleend. Hij heeft in Angola forse trauma’s meegemaakt, ter onderbouwing waarvan hij medische verklaringen heeft overgelegd. Volgens eiseres is hiermee een begin van bewijs geleverd dat sprake is van een objectieve belemmering.

Verweerder heeft met betrekking tot het bestaan van objectieve belemmeringen voor referent in verband met zijn toelating als vluchteling in Nederland in 1994, verwezen naar het primaire besluit. Hierin is overwogen dat, gelet op de lange periode dat referent in Nederland heeft verbleven en gelet op de gewijzigde politieke omstandigheden in Angola, niet valt in te zien dat nog sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Angola uit te oefenen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is gebleken dat referent om medische redenen niet naar Angola zou kunnen reizen en daar niet zou kunnen verblijven. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard niet te hebben kunnen achterhalen om welke redenen aan referent een vergunning is verleend omdat het dossier van referent zich in het archief bevindt. Volgens verweerder blijkt uit het algemeen ambtsbericht dat de politieke situatie is verbeterd, zodat geen sprake meer is van objectieve belemmeringen.

Ingevolge paragraaf B2/10.2.3.2, Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zien objectieve belemmeringen op belemmeringen om het gezinsleven tussen de verblijfsgerechtigde hoofd¬persoon en de gezinsleden buiten Nederland uit te oefenen. Voor zover hier van belang geldt daarbij als uitgangspunt dat indien een verblijfsvergunning asiel is verleend en het gezinslid uit hetzelfde land komt, een zeer sterk vermoeden bestaat van een objectieve belemmering dat slechts op individuele gronden van de betreffende zaak kan worden weerlegd. Voor de vraag naar de aanwezigheid van objectieve belemmeringen is doorslaggevend de vraag of de (persoonlijke) omstandigheden die tot de verblijfsvergunning asiel hebben geleid, op dit moment nog steeds aanwezig zijn.

Tussen partijen is niet in geschil dat referent in Nederland als vluchteling is toegelaten. Volgens het hiervoor geschetste beleid van verweerder bestaat dan op voorhand een zeer sterk vermoeden van een objectieve belemmering, welk vermoeden slechts op individuele gronden kan worden weerlegd. Door slechts in algemene bewoordingen te verwijzen naar het tijdsverloop en de gewijzigde omstandigheden in Angola, zonder te beoordelen of de omstandigheden die in het geval van referent tot de verblijfsvergunning asiel hebben geleid op dit moment nog steeds aanwezig zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank nagelaten de in dit kader van betekenis zijnde persoonlijke feiten en omstandigheden kenbaar af te wegen.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
Hetgeen verder is aangevoerd, behoeft geen bespreking.
(...)

Bron: rechtspraak.nl


Law Blogs
Law blog Klik op +1 als u dit een interessant artikel vindt en Google zal het dan beter zichtbaar maken in de zoekresultaten.

Aanbevolen post

Wytzia Raspe over vluchtelingen, AZC’s, cruiseschepen en mensensmokkelaars

Mr. van de week is Wytzia Raspe. Zij is 25 jaar jurist vreemdelingenrecht in allerlei verschillende rollen. Sinds 2005 schrijft en blogt z...