In deze uitspraak krijgt de IND een enorme uitbrander - stoïcijns niet reageren op herhaalde verzoeken van de rechtbank om een standpunt in te nemen, zeer laakbaar.
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Aan het verzoek om een ordemaatregel heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat de procedure die voorligt al lange tijd loopt. Een eerder beroep is gegrond verklaard en weer komt verweerder met een voor verzoeker nadelig besluit. Als gevolg van dit besluit mag verzoeker (weer) niet werken, en rust op hem een vertrekverplichting. Met het verzoek om een ordemaatregel beoogt verzoeker de mogelijk opnieuw lange duur van zijn procedure en de daarmee gepaard gaande negatieve gevolgen die dit voor hem zal hebben, te voorkomen en zijn woning en werk te behouden zolang de procedure duurt. Verzoeker heeft op 10 juni 2026 een verblijfsaantekening gekregen waaruit blijkt dat hij niet mag werken, terwijl zijn vaste lasten doorlopen. Hij heeft bewijs van salarisbetalingen van de afgelopen maand aan het digitale dossier toegevoegd. Gezien de aanzienlijk lange verblijfsperiode van verzoeker in Nederland, het eerdere gegronde beroep, en het feit dat verweerder blijkbaar niet de moeite heeft willen nemen om een reactie te geven, acht hij de urgentie van de te treffen ordemaatregel gegeven.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het op 9 april 2026 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening reeds heeft bewerkstelligd dat verzoeker de uitspraak op het verzoek in Nederland mag afwachten, zodat uitzetting van verzoeker vooralsnog niet aan de orde is.
4. Bij het al dan niet treffen van een ordemaatregel is van belang of verzoeker de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening kan afwachten, of dat zich reeds in de periode tot aan die uitspraak ernstige en onomkeerbare gevolgen voordoen die tot onmiddellijk rechterlijk ingrijpen nopen. De bevoegdheid om een ordemaatregel te treffen is dus bedoeld voor bijzondere gevallen.
5. Wat verzoeker aanvoert kan zijn zaak niet tot een bijzonder geval in voornoemde zin maken. Dat zich reeds in de periode tot aan de uitspraak op het verzoek ernstige en onomkeerbare gevolgen voordoen die tot onmiddellijk rechterlijk ingrijpen nopen, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat de procedure die voorligt al veel tijd heeft gevergd en mogelijk nog enige tijd zal duren, dat verweerder nalatig is geweest in het reageren op herhaalde verzoeken van de voorzieningenrechter om een standpunt in te nemen en verzoeker geen gevaar vormt voor de samenleving of de openbare orde, maakt de zaak van verzoeker nog geen bijzonder geval in voornoemde zin.
6. De voorzieningenrechter vindt de nalatigheid van verweerder, bestaande uit het bij herhaling en ondanks verwijzing naar artikel 8:31 van de Awb, stoïcijns niet reageren op herhaalde verzoeken van de rechtbank om een standpunt in te nemen, zeer laakbaar. Maar zij acht toewijzing van het verzoek om ordemaatregel zoals gevraagd, onder de gegeven omstandigheden te verstrekkend. Daar komt bij dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de te maken omvangrijke en complexe (voorlopige) inhoudelijk beoordeling.\
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Reacties