UITSPRAAK Militaire dienst en bloedwraak - in Egypte
Hier gaat het dus om de Antikian criteria en om de vraag of de hulp van de eigen autoriteiten inroepen kan en niet gevaarlijk is.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
08-06-2026De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen ten aanzien van de vrees voor dienstplicht en overweegt daartoe als volgt.
Uit paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 volgt dat wanneer een vreemdeling stelt te vrezen voor vervolging vanwege dienstweigering of desertie, de minister eerst toetst of de vreemdeling de dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven.2 Pas als daarvan geen sprake is, toetst de minister of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat de vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij concreet risico loopt om als dienstplichtige deel te nemen aan het plegen van oorlogsmisdrijven. Eiser heeft dit niet onderbouwd. De stelling in beroep en ter zitting dat eiser gezien zijn meertaligheid ingezet zal worden aan de grens en in Gaza en Soedan is daarvoor onvoldoende. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien afdoende toegelicht dat eiser zelf heeft verklaard dat militairen willekeurig worden geplaatst, en dat uit het ambtsbericht3 en andere openbare bronnen niet blijkt dat het vanwege de meertaligheid van eiser of anderszins aannemelijk is dat sprake zal zijn van een plaatsing in oorlogsgebied waarbij ook sprake zal zijn van oorlogsmisdrijven. Daarbij is van belang dat het mogelijk uitvoeren van gevechtshandelingen op zichzelf niet zonder meer gelijkstaat aan het plegen van oorlogsmisdrijven.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bestraffing op het ontlopen van dienstplicht discriminatoir of onevenredig is. Uit het ambtsbericht blijkt dat het niet vervullen van de dienstplicht in de praktijk kan leiden tot een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal twee jaren en dat volgens een bron in de praktijk een geldboete de gangbare straf is. Eisers stelling ter zitting dat voorgaande alleen geldt voor personen van 30 jaar en ouder (en naar de rechtbank begrijpt dus niet voor hem omdat hij jonger is dan 30 jaar) volgt de rechtbank niet nu dit niet volgt uit het ambtsbericht.
Verder blijkt niet dat dienstweigeraars anders worden behandeld dan andere gevangenen. Gelet hierop volgt de rechtbank niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. Dit te meer nu uit het ambtsbericht blijkt dat de autoriteiten in Egypte dienstweigeraars niet actief vervolgen en eiser met zijn stelling over meertaligheid en terugkeer niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom dit voor hem anders zou zijn. Maar ook dan geldt hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de evenredigheid van de mogelijke bestraffing.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging de dienstplicht heeft geweigerd of zal weigeren. De minister wijst in dit verband terecht op de tegenstrijdige en niet afdoende verklaringen van eiser.
Zo stelt eiser eerst dat hij niet wil dienen omdat hij geen wapen wil dragen.4 Als er gevraagd wordt om toe te lichten waarom hij niet wil dienen zegt hij: ‘Tijdens de militaire dienst leer je letterlijk niets over hoe je moet vechten en hoe je een wapen moet dragen. Maar je gaat echt rare dingen doen, zoals de wc schoonmaken en kleren wassen en chauffeur zijn voor een generaal. Dat heeft niets te maken met een militair zijn. Zulke dingen wil ik ook graag niet doen’5 Eiser stelt dus eerst dat hij niet wil dienen omdat hij geen wapen wil dragen om vervolgens uit te leggen dat hij niet wil dienen omdat hij dan dingen moet doen die niets te maken hebben met het zijn van een militair en je niets leert over hoe je een wapen moet dragen. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig.
Aan eiser is vervolgens nog de gelegenheid geboden om over zijn bezwaren nader te verklaren. Eiser stelt dan enkel dat hij niet wil dienen door de slechte ervaring van zijn vader in het leger en dat hij het onacceptabel vindt dat hij gedwongen wordt om de militaire dienst te vervullen. Deze verklaringen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank summier mogen vinden en niet voldoende om te voldoen aan het vereiste ‘diepgewortelde godsdienstige of andere overtuiging’ zoals staat vermeld in de Vc 2000.
Eisers stelling, onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 20256, en van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 20257, dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op verschillende punten geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet op de vraagstelling in het nader gehoor is de rechtbank van oordeel dat de minister wel degelijk afdoende heeft doorgevraagd. De door eiser in dit kader genoemde uitspraken zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief, maar dat voor eiser vanaf 18 jaar een militaire dienstplicht geldt is door de minister aangenomen. De verwijzing naar deze uitspraken treft dus geen doel.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan een van de voorwaarden van paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000 en dat eiser daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees bij terugkeer naar Egypte heeft.
Problemen wegens bloedwraak
7. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser in het kader van de problemen omtrent de bloedwraak bescherming kan krijgen van de Egyptische autoriteiten. Het doen van aangifte bij de Egyptische politie heeft volgens eiser geen zin omdat zijn familie ook is bedreigd door de politie. Eiser verwijst in dit kader naar de zaak van de Nederlandse [naam] , die ook tevergeefs hulp zocht bij de politie, en ook verwijst eiser naar informatie over femicide. Verder stelt eiser dat de tegenwerping van de minister dat eiser geen aangifte heeft overgelegd in strijd is met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025.8Subsidiair verzoekt eiser om onderhavige zaak aan te houden totdat de prejudiciële vragen over de nieuwe werkinstructie geloofwaardigheidsbeoordeling zijn beantwoord door het Europees Hof.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen ten aanzien van de bloedwraak en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank begrijpt – mede gezien hetgeen ter zitting is besproken - het bestreden besluit zo dat niet in geschil is dat eisers familie in Egypte problemen had met een andere familie vanwege bloedwraak. De minister stelt echter dat daarmee nog niet gegeven is dat deze problematiek zich dusdanig uitstrekt tot eiser dat hij daarvan persoonlijk problemen zal ondervinden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op dit standpunt heeft gesteld. Zo volgt de rechtbank de minister in de tegenwerping dat eiser stelt dat hij met zijn familie naar de politie is gegaan om aangifte te doen, maar dat hij hier geen nadere informatie van overgelegd. Dat eiser geen stukken of een registratienummer van zijn aangifte heeft ontvangen na het doen van aangifte is namelijk in strijd met de beschikbare landeninformatie hierover. In het ambtsbericht staat namelijk het volgende: ‘Bij mondelinge aangifte ontvangt de aangever een zaaknummer met betrekking tot de opvolging van de zaak. Bij schriftelijke aangifte ontvangt de aangever een kopie van het schriftelijke rapport.’9
Eisers stelling dat het onmogelijk is om aangifte te doen bij de politie vanwege corruptie heeft eiser niet nader onderbouwd. Verder heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de aangifte. Enerzijds is verklaard dat de politie de aangifte niet in behandeling wilde nemen vanwege corruptie, anderzijds is verklaard dat de politie de aangifte niet in behandeling kon nemen omdat de andere familie geen aangifte had gedaan. Deze tegenstrijdigheid mocht de minister naar het oordeel van de rechtbank aan eiser tegenwerpen.
De minister is gelet op voorgaande op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen bescherming kan inroepen van de Egyptische autoriteiten tegen de bloedwraak.
Eisers verwijzing naar de zaak van de Nederlandse [naam] en de verwijzing naar de informatie over femicide maken voorgaand oordeel niet anders. Het betreft hier een Nederlandse strafzaak en informatie over femicide in Nederland, waarvan de rechtbank niet inziet op welke manier dit relevant is voor de situatie van eiser in Egypte.
Zie de hele uitspraak: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15528
Reacties