Posts tonen met het label feitelijk behoren bij het gezin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label feitelijk behoren bij het gezin. Alle posts tonen

24 juli 2014

Raad van State uitspraak in zaak nareizende Somalische kinderen (horen op ambassade over gezinsband)


ECLI:NL:RVS:2014:2802

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-07-2014
Datum publicatie 23-07-2014
Zaaknummer 201402110/1/V1
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl



Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. De grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de inwilliging van een opvolgende aanvraag om verlening van een mvv van één van de halfzusters (hierna: de halfzuster) van de vreemdeling bij besluit van 3 december 2013, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van haar moeder (hierna: de referente) uit Somalië feitelijk tot haar gezin behoorde, slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris voormelde aanvraag van de halfzuster heeft ingewilligd op basis van het in paragraaf C2/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals luidend ten tijde van dat besluit, opgenomen uitgangspunt dat de biologische band tussen ouders en biologische minderjarige kinderen als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt. Dit beleid is niet van toepassing op de vreemdeling.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris haar in de gelegenheid had moeten stellen om correcties en aanvullingen in te dienen op het verslag van het identificerend gehoor op 30 mei 2012 op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba, Ethiopië (hierna: het gehoor).
4.1. Nu er geen rechtsregel is die de staatssecretaris verplichtte om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om aanvullingen en correcties op het verslag van het gehoor in te dienen voordat hij een besluit nam op haar aanvraag (uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2012 in zaak nr. 201200425/1/V1) en de vreemdeling niets heeft aangevoerd waaruit valt af te leiden dat zij in haar processuele belangen is geschaad doordat de staatssecretaris eerst bij de heroverweging van het besluit van 29 oktober 2012 haar reactie op de besluitvorming en voormeld gehoor heeft betrokken, faalt de beroepsgrond.
5. De vreemdeling heeft onder verwijzing naar het rapport "Identificerende gehoren met Somalische nareizigers op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba" aangevoerd dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld nu hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder en de wijze waarop het gehoor heeft plaatsgevonden. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat de tolk geen beëdigde tolk was als bedoeld in de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv), dat hij van het Somalisch naar het Engels heeft vertaald en omgekeerd, dat zij geen scholing heeft genoten, getraumatiseerd is en niet durfde in te grijpen als zij een vraag niet begreep.
5.1. Nederlandse ambassades en consulaten worden niet vermeld in artikel 28, eerste lid, van de Wbtv als diensten of instanties die zijn gehouden om in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik te maken van beëdigde tolken en vertalers. Evenmin zijn zij ingevolge een ministeriële regeling krachtens het tweede lid als zodanig aangewezen (voormelde uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2012).
De vreemdeling heeft niet toegelicht op welke manier de verschillen tussen haar verklaringen en die van referente en de halfzuster kunnen worden verklaard door de wijze waarop het gehoor heeft plaatsgevonden of de wijze waarop de vragen of de verklaringen tijdens het gehoor zijn vertaald. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat de vreemdeling heeft verklaard dat er geen medische of andere redenen waren waarom het gehoor niet plaats zou kunnen vinden, dat zij de tolk goed heeft begrepen en verstaan en dat zij geen op- of aanmerkingen had over het verloop van het gesprek. Voorts blijkt uit het verslag van het gehoor dat de gehoormedewerker het doel van het gehoor en de gang van zaken daarbij heeft toegelicht, dat hij heeft geverifieerd of de vreemdeling en de tolk dezelfde taal spreken en dat hij in eenvoudige bewoordingen vragen heeft gesteld over basale onderwerpen.
De beroepsgrond faalt.
6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat zij plausibele verklaringen heeft gegeven voor de door de staatssecretaris tegengeworpen tegenstrijdige, wisselende, vage en summiere verklaringen over het tijdstip en de plaats van het afscheid van de referente, het werk van de referente, het werk van de echtgenoot van de referente, tevens de stiefvader van de vreemdeling, de leeftijden van de vreemdeling onderscheidenlijk haar halfbroers en -zusters, het bidden, het doen van de boodschappen, het schoonmaken en de inrichting en omheining van de woning.
6.1. De door de vreemdeling gegeven verklaringen houden in dat zij zich heeft vergist in het tijdstip en de plaats van het afscheid van de referente, dat zij vragen verkeerd heeft begrepen en zaken door elkaar heeft gehaald doordat zij niet gewend is om te worden gehoord, dat zij veel heeft meegemaakt in Somalië, dat zij weinig contact met haar stiefvader had, dat het niet vreemd is dat zij de leeftijden van haar halfbroers en -zusters niet wist nu zij haar eigen leeftijd ook niet wist, dat de gebedskleden geen vaste plek in huis hadden en dat in Somalië een beperkt tijdsbesef heerst. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij hiermee geen plausibele verklaringen heeft gegeven als hiervoor bedoeld en dat zij, nu het gaat om onderwerpen die relevant zijn voor de vaststelling van de feitelijke gezinsband, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van de referente uit Somalië feitelijk tot haar gezin behoorde.
De beroepsgrond faalt.
7. Het beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikelen 4 en 9 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) faalt, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 19 oktober 2010 in zaak nr. 201001188/1/V1 en van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705142/1).
8. De beroepsgrond dat de staatssecretaris ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om krachtens artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het beleid, faalt. De vreemdeling heeft, buiten haar onder 7. besproken beroep op artikel 8 van het EVRM, niet toegelicht welke omstandigheden er zijn die niet geacht kunnen worden bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die tot afwijking van dat beleid zouden moeten nopen.
9. Voor zover de vreemdeling een beroep heeft gedaan op de brieven van 16 juli 2012 en 2 april 2013 van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel onderscheidenlijk de staatssecretaris aan de voorzitter van de Tweede onderscheidenlijk Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 19 637, nr. 1568 onderscheidenlijk Kamerstukken I 2012/13, 31 549, M, blz. 7-9), faalt de beroepsgrond reeds omdat hierin niet is vermeld dat niet langer wordt vastgehouden aan het vereiste dat een meerderjarig kind aannemelijk maakt feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon te hebben behoord.
10. De beroepsgrond dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten de in verband met het gemaakte bezwaar gemaakte kosten te vergoeden omdat hij het besluit van 29 oktober 2012 had moeten herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb, faalt reeds omdat de staatssecretaris het besluit van 29 oktober 2012 gelet op het voorgaande terecht niet heeft herroepen.
11. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond over de wijze waarop de staatssecretaris de leeftijd van de vreemdeling heeft vastgesteld, komt de Afdeling niet toe. Over die grond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze grond, dan wel onderdelen van het besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze grond valt thans dientengevolge buiten het geschil.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 februari 2014 in zaak nr. 13/10333, voor zover aangevallen;
III. verklaart het beroep in zoverre ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014

De uitspraak staat hier: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2014:2802

19 juni 2013

Raad van State doet uitspraak in zaak van nareizende familie van Somalische asielzoeker (uitspraak)

LJN: CA3717, Raad van State , 201203898/1/V1
Datum uitspraak: 06-02-2013
Datum publicatie: 19-06-2013
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep


Overwegingen

1. De vreemdeling heeft in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) mvv-aanvragen ingediend voor verblijf van haarzelf en het kind bij [de referent], naar gesteld haar echtgenoot, houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan een vreemdeling die als echtgenoot feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder f, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan een vreemdeling die als partner zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2006 in zaak nr. 200603951/1 (www.raadvanstate.nl) dient een mvv-aanvraag in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vw 2000, te worden beoordeeld aan de hand van die bepalingen.

4. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb is het aan de aanvrager om de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het is derhalve aan de vreemdeling om in de bestuurlijke fase de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken.

Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 ligt de bewijslast dat de vreemdeling in het land van herkomst feitelijk tot het gezin heeft behoord bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hierover aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen te worden verstrekt.

5. De minister klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet in redelijkheid de in de verklaringen van de vreemdeling en de referent geconstateerde verschillen heeft kunnen tegenwerpen, omdat niet is uitgesloten dat de tegengeworpen tegenstrijdigheden het gevolg kunnen zijn van een onzorgvuldige vertaling of verslaglegging en de rechtbank daarbij van belang heeft geacht dat de minister de vreemdeling niet in staat heeft gesteld correcties en aanvullingen op het verslag van gehoor in te dienen, alvorens op de aanvraag te beslissen.

5.1. De vreemdeling is op 21 februari 2011 gehoord op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba. Haar verklaringen uit dat gehoor zijn vergeleken met hetgeen de referent heeft verklaard tijdens zijn eerste en nader gehoor van 21 april 2009 en 29 juli 2009 alsmede met de correcties en aanvullingen daarop.

De minister heeft aan zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling en het kind tot aan het vertrek van de referent uit Somalië feitelijk hebben behoord tot diens gezin, onder meer ten grondslag gelegd dat de referent en de vreemdeling hebben verklaard dat zij zijn opgegroeid in een klein dorp, [naam dorp], en elkaar reeds lang kenden voordat zij huwden, zodat het bevreemdt dat zij op essentiële punten tegenstrijdig hebben verklaard.

5.2. De minister voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van het gehoor en de verslaglegging hiervan. De vreemdeling, die heeft verklaard dat zij de vragen van de gehoormedewerker goed heeft begrepen en tevreden was over het verloop van het gesprek, heeft niet toegelicht hoe de verschillen in haar verklaring en die van de referent kunnen worden verklaard door de wijze waarop het gehoor heeft plaatsgevonden of de wijze waarop de vragen of de verklaringen tijdens het gehoor zijn vertaald, bijvoorbeeld door concreet aan te wijzen welke in het verslag neergelegde vragen en verklaringen niet overeenkomen met de vragen die de tolk in het Somalisch aan haar heeft gesteld en de antwoorden die zij hierop heeft gegeven. In dit verband is van belang dat uit het verslag van het gehoor niet blijkt dat de vreemdeling en de gehoormedewerker elkaar onvoldoende hebben begrepen en evenmin dat de gehoormedewerker de vragen niet op een correcte en adequate wijze heeft gesteld en dat de vreemdeling niet voldoende in de gelegenheid is gesteld daarop antwoord te geven.

Uit het verslag van het gehoor blijkt dat de gehoormedewerker het doel van het gehoor en de gang van zaken daarbij heeft toegelicht en heeft geverifieerd of de vreemdeling en de tolk dezelfde taal spreken. Voorts blijkt hieruit dat de gehoormedewerker vragen heeft gesteld over basale onderwerpen als huwelijk, samenwonen, gezinssamenstelling, familie, werk en woonomgeving. Dat de vreemdeling mogelijk op andere relevante punten niet tegenstrijdig heeft verklaard, neemt niet weg dat de minister haar in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat haar verklaringen op essentiële punten die relevante feiten over het gezinsleven betreffen, verschillen van die van de referent en dat zij daarvoor geen plausibele verklaring heeft gegeven.

Voorts voert de minister terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de vreemdeling niet ten onrechte niet in staat heeft gesteld aanvullingen en correcties op het verslag van het gehoor in te dienen voordat hij een besluit nam op haar aanvraag. Zoals volgt uit de uitspraak van 10 oktober 2012 in zaak nr. 201200425/1/V1 (www.raadvanstate.nl) bestaat er geen rechtsregel die de minister hiertoe verplicht.

De grief slaagt.

6. De minister klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit geen zelfstandige motivering heeft opgenomen met betrekking tot de vraag, of aannemelijk is dat ten aanzien van het kind de feitelijke gezinsband met de referent in het land van herkomst aannemelijk is gemaakt en hij het kind een DNA-onderzoek had dienen aan te bieden, nu met de twijfel aan de identiteit van de vreemdeling nog niet vaststaat dat ook aan de identiteit van het kind dient te worden getwijfeld. Weliswaar konden aan het kind, gezien de jeugdige leeftijd, geen vragen worden gesteld over de gestelde gezinsband, maar nu de antwoorden van de vreemdeling blijk geven van tegenstrijdigheden op essentiële punten, is geen sprake van bewijsnood, aldus de minister. Volgens de minister is het aanbieden van een DNA-onderzoek derhalve niet aangewezen.

6.1. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en het kind tot aan het vertrek van de referent uit Somalië feitelijk behoorden tot diens gezin. Nu de uitkomst van een DNA-onderzoek daar niet aan af zou doen, omdat daarmee niet aannemelijk zou zijn gemaakt dat het kind ten tijde van belang wel feitelijk behoorde tot het gezin van de referent, slaagt de tweede grief eveneens.

7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 28 september 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop nog moet worden beslist.

8. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het besluit in strijd is met artikel 8 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

8.1. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van "family life", als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten voormelde bepalingen plaats dient te vinden in de procedure over een verblijfsvergunning regulier (onder meer de uitspraak van 19 oktober 2010 in zaak nr. 201001188/1/V1; www.raadvanstate.nl).

De beroepsgrond faalt.

9. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien. Zij voert daartoe aan dat, gelet op alle door haar in beroep aangevoerde omstandigheden, geen sprake is geweest van een kennelijk ongegrond bezwaar.

9.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 5 december 2008 in zaak nr. 200802115/1 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gelet op de motivering van het besluit van 8 maart 2011 en hetgeen de vreemdelingen tegen dit besluit in bezwaar hebben aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan.

De beroepgrond faalt.





-------------------------- Law Blogs
Law blog
Klik op +1 als u dit een interessant artikel vindt en Google zal het dan beter zichtbaar maken in de zoekresultaten.



Bookmark and Share
In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Aanbevolen post

Wytzia Raspe over vluchtelingen, AZC’s, cruiseschepen en mensensmokkelaars

Mr. van de week is Wytzia Raspe. Zij is 25 jaar jurist vreemdelingenrecht in allerlei verschillende rollen. Sinds 2005 schrijft en blogt z...