UITSPRAAK ABRRvS: Vader van ernstig zieke kinderen hoeft niet naar Irak om een paspoort te halen want zijn identiteit is niet in geschil
4.1. De Afdeling oordeelt dat het door de bijzondere omstandigheden in deze zaak onevenredig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis en dat de rechtbank om die reden ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2023 in stand heeft gelaten. Hierbij acht de Afdeling doorslaggevend dat uit de door [appellant] ingebrachte stukken volgt dat zijn beide thuiswonende dochters door hun beperkingen veel zorg nodig hebben, waarbij in het bijzonder de zorg voor de oudste dochter zeer arbeidsintensief is en dag en nacht doorgaat. De oudste dochter zit in een rolstoel, kan niet praten en heeft intensieve verzorging, begeleiding en ondersteuning nodig. De echtgenote van [appellant] kan deze zorg niet alleen verlenen, omdat de oudste dochter ook getild moet worden en de echtgenote hiertoe niet in staat is. Daarbij komt dat ook de andere dochter is aangewezen op intensieve zorg en ondersteuning van haar ouders. De rol van [appellant] in deze verzorging is moeilijk door een derde te vervullen. Daardoor zou [appellant] alleen voor zeer korte tijd naar Irak kunnen reizen om de benodigde documenten te verkrijgen. Dit is tussen partijen niet in geschil. Het is allerminst zeker dat een kort bezoek naar Irak voldoende is om de benodigde documenten te verkrijgen. [appellant] heeft namelijk informatie van het Iraakse ministerie van Buitenlandse Zaken overgelegd over de aanvraagprocedure van deze documenten. De Afdeling leidt uit deze informatie af dat het voor de verkrijging van deze documenten nodig is dat [appellant] afreist naar Irak, dat het gelet op de documenten die hij aldaar zal moeten kunnen laten zien, vervolgens onzeker is hoe lang hij in Irak zal moeten verblijven, terwijl niet vaststaat dat dit in zijn geval tot enig resultaat zal leiden. De minister heeft dit niet weersproken. Ook heeft [appellant] wel degelijk pogingen gedaan om aan documenten te komen.
4.2. De minister heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat hij er belang bij heeft om vast te houden aan de documenteis, omdat hij dan [appellant]s nationaliteit met zekerheid kan vaststellen en hij [appellant]s andere identiteitsgegevens nogmaals kan verifiëren. Zoals de minister echter desgevraagd ook heeft bevestigd, is de identiteit van [appellant] niet in geschil en werpt hij [appellant] niet meer tegen dat hij niet bereid is om afstand te doen van zijn huidige nationaliteit, omdat [appellant] daartoe een afstandsverklaring heeft ondertekend. Onder deze omstandigheden wegen de belangen van de minister niet op tegen de belangen van [appellant] bij naturalisatie. De Afdeling oordeelt dat het onevenwichtig is dat de minister vasthoudt aan de documenteis, omdat daarvoor een reis van [appellant] naar Irak noodzakelijk is waardoor de continuïteit van de zorg voor zijn twee van hem afhankelijke dochters in gevaar komt. Daarom kan de minister een dergelijke reis van onzekere duur en uitkomst niet van hem verlangen. Er bestond in dit geval aanleiding voor de minister om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de documenteis. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 22 november 2023 in stand heeft gelaten. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat afwijking van de documenteis in de praktijk betekent dat hij in beginsel niet meer tegenwerpt dat een vreemdeling zijn nationaliteit niet heeft aangetoond.
Reacties