De inhoudsopgave - al die andere berichten - staat in de rechter kolom. Scrollen dames en heren!

20 mei 2015

Nieuw op het weblog (en meer dan in de mail stond)

 Nieuw op het weblog vandaag zoals aangegeven in de mail:

 Maar ook (feedburner kan blijkbaar alleen een maximum aan):

  • België-route: wat is het wachtregister? Uitleg van Marnix Visscher
  • VACATURE: Manager Global Immigration Services 
  • Roman: Season of Migration to the North (New York Review Books Classics)
Dus dat wordt naar beneden scrollen damen en heren en komt u onderaan op de link oudere berichten klikken.

Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Open AZC dag op 13 juni 2015


 
 
 
Heeft u altijd al eens een asielzoekerscentrum (azc) willen bezoeken? Kom dan op zaterdag 13 juni a.s. naar de landelijke open dag van de azc’s.
een initiatief van COA VW
Overal in Nederland openen asielzoekerscentra hun deuren. Op deze website kunt u zien welk centrum bij u in de buurt op 13 juni te bezoeken is.
Er zijn rondleidingen en u kunt vluchtelingen ontmoeten. Verder kunt u onder andere genieten van muziek, films en tentoonstellingen. Ook voor kinderen zijn er leuke activiteiten.
Let op: op dit moment zijn de programma's op de verschillende locaties nog niet bekend. Daar wordt nu hard aan gewerkt. Wilt u weten wat het programma op het centrum van uw keuze wordt? Blijf op de hoogte en meld u hiernaast aan voor gratis e-mailupdates!

 Meer info hier: http://www.openazc.nl/



Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Richtlijn 2004/38 en toerisme door ingezetenen van andere EU-landen met hun niet-EU familie

Deze maand werd ik benaderd door een Britse meneer die met zijn ouders uit een niet-EU land in Nederland op vakantie had gewild. De ouders hadden zich tot onze ambassade in de vreemde gewend met een verzoek om een visum. Dat werd geweigerd omdat de zoon slechts had aangetoond zijn ouders ten minste 6 maanden te onderhouden, de ouders niet hadden aangetoond van hem afhankelijk te zijn omdat er geen ander inkomen was en last-but-not-least de zoon had maar liefst twee keer naar de ambassade gebeld om informatie en de overschrijvingen waren van na die datum dus ze waren duidelijk van plan de boel te flessen. Oh ja en er was nooit gevraagd of er ook eerdere betalingen waren of of de ouders konden aantonen geen ander inkomen te hebben maar er werd wel gelijk een heel negatieve conclusie getrokken.

"Welkom in Nederland toeristen" denk je dan.

Wij vroegen ons af wat de betreffende IND-er nu in gedachten had gehad. Het lijkt er op dat er in ieder geval aan het verkeerde artikel van de Richtlijn was getoetst. Immers artikel 6 ziet op verblijf van korter dan drie maanden vergelijkbaar met de vrije termijn en de termijn van visa. De enige eis die een staat dan mag stellen is een geldig paspoort.

Artikel 7 daarentegen ziet op permanente vestiging en dan mogen staten een aantal vereisten formuleren die er op zien of de ouder door het kind wordt onderhouden.

Maar die situatie deed zich niet voor want ook de IND schreef in de beschikking dat het om een bezoek als toerist ging. Als je dan al iets zou kunnen moeten vragen dan zou ik eerder denken aan een garantie vergelijkbaar met die van een gewoon visum dat iemand ook echt slechts een verblijf van korter dan 3 maanden beoogt.

De familie zelf was ook hogelijks verbaasd want bij een eerdere visumaanvraag was er geen enkel probleem geweest behalve dan dat de reis door omstandigheden had moeten worden uitgesteld.

Zie voor een ander geval van toerisme en richtlijn 2004/38 de volgende uitspraak: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2014:12374


Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Cursus "Actualiteiten vreemdelingenrecht" 2 oktober 2015 door Edulaw


Actualiteiten vreemdelingenrecht (inclusief asielrecht), 2 oktober 2015 te Amsterdam, 6 PO NOvA, €399,- (incl. lunch en lesmateriaal), Prof. Mr. P.R. Rodrigues & Mr. S.G. Kok |meer informatie |aanmelden

http://www.edulawopleidingen.nl/ 





Cursus

‘Actualiteiten vreemdelingenrecht’


Prof. Mr. P.R. Rodrigues
& Mr. S.G. Kok


2 oktober 20156 PO NOvA toplocatie Amsterdam € 399,-incl. lunch en lesmateriaal

Tijdens deze praktijkcursus wordt u volledig bijgepraat over actuele thema’s en ontwikkelingen in wetgeving, jurisprudentie en praktijk van het vreemdelingenrecht. Hierbij wordt zowel aandacht besteed aan het reguliere vreemdelingenrecht als aan het asielrecht. Voor wat betreft het reguliere vreemdelingenrecht wordt onder andere aandacht besteed aan de recente ontwikkelingen op het terrein van gezinsmigratie en het Kinderpardon. Voor wat betreft het asielrecht wordt onder meer ingegaan op de consequenties van de omzetting in het vreemdelingrecht van de herziene Procedurerichtlijn en de herziene Opvangrichtlijn. De cursus heeft een praktijkgerichte inslag en er bestaat volop gelegenheid voor het stellen van vragen.

Deze cursus is bedoeld voor alle professionals die in de rechtspraktijk van het vreemdelingenrecht werkzaam zijn, d.w.z. advocatuur,  rechtspraak, maar ook procesvertegenwoordigers of beslismedewerkers van de IND en andere personen werkzaam in de uitvoeringspraktijk.

Deze cursus wordt verzorgd door Prof. Mr. P.R. Rodrigues en Mr. S.G. Kok. Prof. Rodrigues is hoogleraar Immigratierecht aan de Universiteit Leiden en voorzitter van het Instituut voor Immigratierecht. Voorts is hij lid van de Commissie Meijers (de permanente commissie van deskundigen m.b.t. het vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht).
Mr. Kok is docent immigratie- en asielrecht aan de Universiteit Leiden en redactiesecretaris van het tijdschrift Asiel&Migrantenrecht. Hij is specialist op het gebied van het Internationaal en Europees asielrecht.   




Datum en tijdstip: vrijdag 2 oktober 2015, tussen 10.00-17.30 uur
PO punten: 6 PO NOvA
Cursuslocatie: 4-sterren hotel Holiday Inn Amsterdam (De Boelelaan 2)
Cursusprijs: € 399,- ex. btw bij aanmelding vóór 1 augustus 2015 (incl. lunch en lesmateriaal).
 
Let op: beperkte beschikbaarheid.

Aanmelden/vragen
via de website  www.edulawopleidingen.nl (‘Aanmelden’ in Menu)
of telefonisch  0648865243




Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Bijeenkomst WRV op 9 juni 2015 (ouderenbeleid, procederen EHRM, gezinsherenigingsrichtlijn, middelenverieste, Unierecht)

Bijeenkomst WRV

Datum: 
09 juni 2015
 
Dinsdag 9 juni 2015, van 13.00 tot 18.00 uur, vindt in congrescentrum de Eenhoorn te Amersfoort de volgende bijeenkomst van de Werkgroep Rechtsbijstand in Vreemdelingenzaken (WRV) plaats. Op het programma: Het Unierecht is de standaard, niet het Vreemdelingenbesluit, procederen bij het EHRM, gezinsmigratie langs de mensenrechtelijke meetlat, het middelenvereiste in de praktijk, knelpunten na afschaffing van het ouderenbeleid.

Programma
13.00 uur Ontvangst, inschrijving en lunch
13.30 uur Opening door dagvoorzitter
Heleen de Jonge van Ellemeet, directeur Stichting Migratierecht Nederland
13.40 uur Procederen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
mr. A. (Agnes) van Steijn, griffier bij het EHRM
mr. A.A. (Ard) Eertink, advocaat te Den Haag
Na een korte inleiding van Ard Eertink over zijn Straatsburgse ervaringen in de zaak Jeunesse t. Nederland, behandelt Agnes van Steijn de do's & don'ts van procederen voor het EHRM. Zij bespreekt onder meer het Huishoudelijk Reglement van het Hof. Dit wordt sinds 1 januari 2014 strikt toegepast, wat ertoe heeft geleid dat verzoekschriften buiten behandeling worden gesteld omdat niet is voldaan aan de voorschriften.
14.40 uur Knelpunten na de afschaffing van het ouderenbeleid
mr. A.A. (Anneke) van Harmelen, advocaat te Den Haag
mr. B. (Barbara) Wegelin, advocaat te Amsterdam
Anneke van Harmelen en Barbara Wegelin behandelen knelpunten die zijn ontstaan door de afschaffing van het verruimde gezinsherenigingsbeleid in 2013. Zij gaan met name in op zaken rond ouderen. Daarin bestaat onduidelijkheid over het toetsingskader m.b.t. art. 8 EVRM en over de toepassing van het criterium ‘more than normal emotional ties’. Het beeld wordt geschetst aan de hand van de via een Wob-verzoek verkregen minuten van de IND en jurisprudentie van het EHRM.
15.20 uur Pauze
15.40 uur Gezinnen gezien? Nederlandse regelgeving en uitvoeringspraktijk in het licht van de Gezinsherenigingsrichtlijn
mr. C.A. (Stans) Goudsmit, lid College voor de Rechten van de Mens
Het College voor de Rechten van de Mens publiceerde in september 2014 een onderzoek naar gezinshereniging in Nederland. Stans Goudsmit bespreekt de resultaten van dit onderzoek en nieuwe ontwikkelingen in de Europese jurisprudentie, en zal met name met name op het gebied van inburgering in het buitenland, om samen met de aanwezigen te bezien op welke wijze procederen kan bijdragen aan een betere naleving van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
16.10 uur Het middelenvereiste in de praktijk
mr. M. (Marianne) Wiersma, advocaat te Rotterdam
Voor gezinshereniging geldt de eis dat het gezinslid in Nederland beschikt over zelfstandige, voldoende en duurzame middelen van bestaan. Hoe wordt deze eis in de praktijk ingevuld? Nederland leeft de uitspraak van het HvJEU in de zaak Chakroun nog lang niet altijd na. Marianne Wiersma geeft een overzicht van de laatste stand van zaken in de jurisprudentie.
17.00 uur Het Unierecht is de standaard, niet het VreemdelingenbesluitProf. mr. P. (Pieter) Boeles, emeritus hoogleraar immigratierecht Universiteit Leiden en gast-hoogleraar aan de VU
Het Unierecht wordt vaak ten onrechte toegepast als een abstracte aanvulling op de Nederlandse regelgeving. Pieter Boeles bepleit om bij de beoordeling van vreemdelingenrechtelijke beschikkingen stelselmatig eerst de bindende Unierechtelijke standaard te bezien en vervolgens te onderzoeken of de Nederlandse regelgeving daaraan voldoet. Het resultaat kan verrassend zijn.
18.00 uur Afsluiting en borrel
Dinsdag 9 juni 2015
13.00 tot 18.00 uur
(vanaf 13.00 uur lunch; 13.30 aanvang, aansluitend borrel)
Regardz Meeting Center Eenhoorn in Amersfoort
Punten

4 PO punten (NOvA)
Kosten
€ 320,- voor leden van de Werkgroep Rechtsbijstand in Vreemdelingenzaken,
€ 450,- voor niet-WRV leden (geen BTW), inclusief lunch en digitale reader.


 Hier aanmelden: http://www.stichtingmigratierecht.nl/cursussen/bijeenkomst-wrv

Overige cursussen:


24 jun

Nieuw! Zelfstandigen in het migratierecht

Amsterdam. 4 PO. Een compleet overzicht m.b.t. zelfstandigen en ondernemers.
06 okt

Actualiteiten inreisverbod

Utrecht. 4 PO. In een middag bent u volledig op de hoogte van alle actuele ontwikkelingen rond het inreisverbod.
16 okt

Actualiteiten jurisprudentie HvJEU

Utrecht. 4 PO. Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
04 nov

Actualiteiten gezinsmigratie

Utrecht. 4 PO. Een overzicht van actuele ontwikkelingen rond het recht op gezinsleven.

Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Morgen cursus: Kinderen in het migratierecht (VERY LAST MINUTE)


Datum: 
21 mei 2015
De bijzondere positie van kinderen en het VN-Kinderverdrag (IVRK) krijgt steeds meer aandacht en dringt via het EU-recht, met name artikel 24 Handvest voor de Grondrechten, en het EVRM binnen in het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het kan ook van groot nut zijn om over de grenzen van het vreemdelingenrecht een blik te werpen naar het familie- en jeugdrecht. Deze cursus biedt een (inter)nationaal rechtelijk kader en praktische handvatten.
Aan de orde komen onder meer:
- De noodzaak rekening te houden houden met de belangen van kinderen o.g.v. art 5 lid 5 en art. 17 Richtlijn Gezinshereniging 2003/86.
- Het beoordelingskader onder art. 8 EVRM in samenhang met art. 3 IVRK.
- Artt. 7 en 24 EU grondrechtenhandvest
- De bruikbaarheid in vreemdelingenzaken van General Comment nr. 14 van het VN Kinderrechtencommitee over het best interest beginsel in art. 3 IVRK.
- Waar moet op gelet worden bij het horen van kinderen?
- Relevante factoren voor het Zambrano criterium en artt. 20 en 21 VWEU.
- De toepassing van het Zambrano criterium door de CRvB in zaken waar het Koppelingsbeginsel wordt tegengeworpen alsmede de recente prejudiciele vragen van de CRvB Zambrano.
- Recente ontwikkelingen rond het Kinderpardon.
Docentenmr . G. Cardol, juridisch adviseur landelijk bureau Raad voor de Kinderbescherming Den Haag en
mr. T.P.A Weterings, advocaat te Amsterdam
Locatie en tijd
Cursus en Vergadercentrum Domstad
Koningsbergerstraat 9
3531 AJ Utrecht
Routebeschrijving
12.30 tot 17.15 uur.
(12.00 uur inloop met lunch; 12.30 aanvang)
Punten

Niveau
Specialisatie.
Gemiddelde beoordeling8,2*
Doelgroep
De cursus richt zich op advocaten en professionals die zich in de praktijk bezig houden met het vreemdelingenrecht.
Kosten€ 365,- voor WRV leden bij Stichting Migratierecht Nederland, € 425,- voor niet-WRV leden (geen BTW), inclusief lunch en digitale reader.
* Gebaseerd op gemiddelde beoordeling cursus d.d. 14 november 2014.

 Zie: http://www.stichtingmigratierecht.nl/cursussen/kinderen-het-migratierecht



Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Liegen om je vent naar Nederland te halen kan heel gevaarlijk zijn

Het kostte een paar keer aandachtig lezen maar blijkbaar gaat het hier om een mevrouw die sinds haar 11de in Nederland woont nadat ze hier als asielzoekster is gekomen. Ze haalt haar man uit het buitenland (geen idee welke nationaliteit zij heeft, hij lijkt Afghaans) naar Nederland door aan te tonen dat ze bij een vleesverwerkingsbedrijf werkzaam is voor 40 uur in de week en aan het middelenvereiste voldoet.

Hoe het gebeurt blijkt niet uit de uitspraak maar op de een of andere manier komt de IND er achter dat ze helemaal niet bij dat bedrijf werkzaam is want ze loopt ook nog eens stage en zit op school.

De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat referente toch werkzaam is geweest bij de gestelde werkgever. Het betoog dat het op de loonstroken vermelde loon is uitbetaald, heeft de staatssecretaris, nu die loonstroken gelet op het voorgaande geen weergave van de feitelijke situatie en derhalve onbetrouwbaar zijn, terecht onvoldoende geacht. Voorts heeft de staatssecretaris aan de verklaring van de vreemdeling dat zijn schoonouders tijdens de gestelde werktijden gebruik maakten van de pinpas van de rekening van referente evenzeer terecht niet de waarde gehecht die de vreemdeling daaraan gehecht zou willen zien.
Meneer zijn verblijfsvergunning wordt ingetrokken en hij moet Nederland onmiddelijk verlaten en hij krijgt een inreisverbod opgelegd.


3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris een onvolledige belangenafweging heeft verricht in het kader van de vraag of de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Dit betoog faalt, reeds omdat de staatssecretaris de door de vreemdeling genoemde belangen wel degelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken.
4. Verder heeft de vreemdeling, gelet op hetgeen onder 1.2. is overwogen, tevergeefs betoogd dat hij geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat de staatssecretaris hem derhalve ten onrechte heeft opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Anders dan de vreemdeling heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris derhalve eveneens terecht krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. De staatssecretaris heeft ook deugdelijk gemotiveerd dat het uitvaardigen van het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hij heeft zich immers terecht op het standpunt gesteld dat de achtergrond van referente, namelijk dat zij als elfjarige met haar ouders naar Nederland is gekomen en destijds in het bezit is gesteld van een afgeleide verblijfsvergunning asiel niet tot de conclusie leidt dat er om die reden een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Afghanistan of elders uit te oefenen.

Ik weet niet of  mevrouw ook Afghaanse was of inmiddels Nederlandse maar van Afghaanse komaf. Maar daar sta je dan: man terug naar Afghanistan en die mag een aantal jaar niet terugkomen en jij kan je school en stage afbreken en mee achter de burkha of moet jaren hier alleen wachten.

Als er nu blijkbaar voldoende geld was om een nep arbeidscontract te sluiten voor haar hadden ze dan haar man niet in Nederland als student kunnen inschrijven? Of zij als ze Nederlandse al was naar Belgie vertrekken en daar haar studie afronden en hem op grond van Richtlijn 2004/38 laten overkomen? Of misschien nog verstandiger: eerst afstuderen en een goede baan zoeken en wat opbouwen en dan pas aan mannen en babies gaan denken? Vroeger immers hadden mensen ook zo vijf jaar verkering en verloving voordat er genoeg was gespaard en een huis gevonden en er getrouwd kon worden.

De hele uitspraak staat hier: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2015:1613

Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Vovo: Dublinoverdracht kwestbare asielzoekers aan Bulgarije


ECLI:NL:RBDHA:2015:5597

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2015
Datum publicatie 18-05-2015
Zaaknummer VK-15_8402 -15_8376 -15_8401 -15_8373
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie Dublin-Bulgarije, interstatelijke vertrouwensbeginsel, bijzondere aandacht kwetsbare asielzoekers. Strijd met onderzoeks- en motiveringsplicht. Beroep gegrond, besluiten vernietigen.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van zowel eiseres 1 als die van eiseres 2, gelet op de door eiseres 1 aldaar ingediende asielaanvraag en het fictieve akkoord. Immers, eiseres 2 is een minderjarig gezinslid van eiseres 1 en het bijeenhouden van het gezin dient voorop te staan bij de toepassing van Dublin III. De ratio van het bijeenhouden van de gezinsleden als bedoeld in Dublin III is mede gelegen in de mogelijkheid dat zij gezamenlijk voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking komen, dan wel - als is vastgesteld dat zij geen status dienen te krijgen - gezamenlijk kunnen worden uitgezet.
7. Ter beoordeling staat of verweerder de behandeling van de asielaanvragen van eisers aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van Dublin III omdat ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt voor Bulgarije moet worden verlaten. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 3 februari 2015 (AWB 14/25709), het rapport van de UNHCR van 15 april 2014 en het in de hierboven genoemde uitspraak van 3 februari 2015 genoemde rapport van de European Union: European Asylum Support Office (EASO) van 5 december 2014, terecht op het standpunt gesteld dat eisers bij terugkeer naar Bulgarije geen risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit voornoemde rapporten blijkt dat de omstandigheden in de asielcentra en de leefomstandigheden voor asielzoekers in Bulgarije de laatste maanden duidelijk zijn verbeterd. Uit de door eisers overgelegde stukken blijkt niet dat de situatie in Bulgarije sindsdien is verslechterd.
8. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de bij de zienswijze en de in de gronden van beroep overgelegde informatie ziet op (onderzoeksperioden in) de eerste helft van 2014 en daarmee op een periode van vóór de verbeteringen. De overige door eisers overgelegde documenten laten weliswaar zien dat de algemene situatie in Bulgarije van asielzoekers tekortkomingen kent, maar geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Het rapport van Pro Asyl van april 2015 ziet ook op de situatie tijdens de onderzoeksperiode in 2014, die ook is geschetst in het rapport van AESO van 5 december 2014 en waar sprake was van verbeteringen.
9. Gelet op het vorenstaande hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft op deze grond geen aanleiding hoeven te zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van Dublin III.
10. Eisers hebben voorts een beroep gedaan op de brief van de staatssecretaris van 15 mei 2014. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de inhoud van deze beleidsbrief nog steeds geldt. Uit de brief komt naar voren dat gelet op de verbeteringen van het Bulgaarse asiel- en opvangstelsel een ruimhartige toepassing van de soevereiniteitsclausule niet langer als uitgangspunt geldt. Op bladzijde twee wordt echter wel vermeld:
“ (…). Uiteraard kan in individuele zaken nog wel worden afgezien van een overdracht aan Bulgarije als de individuele omstandigheden van de vreemdeling daartoe aanleiding geven. Bijzondere aandacht zal daarbij zijn voor kwetsbare asielzoekers, zoals zwangere vrouwen, gezinnen met zeer jonge kinderen en personen met ernstige ziekten. Onder andere de duur van het verblijf in Bulgarije, de daar ontvangen voorzieningen en de stand van de asielprocedure zal de IND betrekken bij de beslissing om ten aanzien van een vreemdeling met een dergelijke kwetsbare achtergrond al dan niet af te zien van een overdracht aan Bulgarije.”
11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet op een kenbare manier bijzondere aandacht getoond voor het feit dat hier sprake is van een alleenstaande vrouw met 5 minderjarige kinderen, waarvan twee kinderen beneden de 5 jaar zijn. Eiseres 1 heeft verklaard in Bulgarije papieren te hebben moeten ondertekenen maar geen gesprek te hebben gehad. Ook heeft zij verklaard dat zij niet op de hoogte werd gesteld van haar asielaanvraag en dat zij als een gevangene enkele dagen opgesloten heeft gezeten alvorens zij naar een opvanglocatie werd overgebracht, waarvandaan zij is doorgereisd. Verweerder heeft deze omstandigheden niet bij zijn besluitvorming betrokken. De voorzieningenrechter overweegt bij deze stand van zaken dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.
12. De beroepen van eisers zullen gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 (onderzoeksplicht) en 3:46 (motiveringsplicht) van de Awb.
13. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen.
14. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten en gaat daarbij uit van samenhangende zaken. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (1 punt voor de verzoekschriften, 1 punt voor de beroepen en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 490,- en een wegingsfactor 1).

De hele uitspraak staat hier: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:5597

Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

VACATURE: Coördinator externe vertegenwoordiging / sociaal-juridisch begeleider (m/v) 32 uur per week

 Vluchtelingen in de Knel is een stichting die zich vanuit medemenselijkheid inzet voor de basisrechten en belangen van (afgewezen) vluchtelingen die zijn uitgesloten van overheidsvoorzieningen. Ze biedt opvang, sociaal-juridische begeleiding en bemiddeling bij medische zorg. Daarnaast zet de stichting zich in om de bewustwording in de samenleving m.b.t. de positie van afgewezen vluchtelingen te vergroten. Het team van Vluchtelingen in de Knel werkt samen met circa 70 vrijwilligers en een groot aantal
instanties en particulieren binnen en buiten Eindhoven. Ter aanvulling van ons Collegiaal Leidinggevend Team (CLT) zoeken wij een ervaren en enthousiast derde teamlid.

Functieomschrijving
Als lid van het collegiaal leidinggevend team heb je een combinatie van functies (50% / 50%).
 Je draagt als CLT lid de gedeelde verantwoordelijkheid voor de leiding aan medewerkers en vrijwilligers en geeft samen met de andere CLT leden vorm en uitvoering aan het beleid van de stichting. Binnen het CLT ben je als coördinator externe vertegenwoordiging de eerste verantwoordelijke op het gebied van het beheren, uitbreiden en versterken van de externe relaties van de Stichting. Dat betekent dat je relaties initieert en in netwerken participeert met als doel zowel in de samenleving als in de politiek het draagvlak (ook financieel) voor de stichting en haar idealen te vergroten. Inspirerende communicatie is daarvoor een belangrijk vereiste evenals het te woord staan en het weten te benutten van alle relevante media.
 Je biedt als kernteamlid intensieve sociaal-juridische begeleiding aan individuele cliënten zodat zij kunnen werken aan een duurzaam toekomstperspectief in Nederland of het land van herkomst. Dat betekent dat je op creatieve en strategische wijze de belangen van je cliënt behartigt, juridische ontwikkelingen bijhoudt en contacten met advocaten, artsen en IND initieert en onderhoudt. Samen met de andere Kernteamleden beslis je over opvangaanvragen en de individuele begeleidingstrajecten en stuur je vrijwilligers aan bij de cliëntbegeleiding. Je bent daarnaast minimaal een dagdeel aanspreekpunt voor vrijwilligers en zal op termijn een team vrijwilligers aansturen.

Wat vragen we?
– Je hebt enige jaren werkervaring
– Je beschikt over een hbo- of wo-opleiding op het gebied van recht – met specialisatie vreemdelingenrecht – of op het gebied van maatschappelijke/sociale dienstverlening
– Je bent betrokken bij onze doelgroep en de ideële doelstelling van de Stichting
– Je bent een netwerker, je beschikt over goede contactuele eigenschappen en je bent een vaardige communicator, zowel in woord als in geschrift
– Beschik je over een breed netwerk van voor de stichting relevante personen en instanties, dan strekt dat tot aanbeveling
– Ervaring in de sociaal-juridische begeleiding van vluchtelingen is een pré.
– Je beschikt over analytische vaardigheden en het vermogen om snel informatie te verwerken en  tactisch te schakelen
– Je beschikt over coachende en eventueel leidinggevende vaardigheden
– Je bent een teamspeler, en je kunt zelfstandig werken
– Je hebt een flexibele instelling, je bent stressbestendig en je bent bekend met een hectische werkomgeving
– Ervaring met werken in een vrijwilligersorganisatie is een pré.

Aanstelling, salariëring en informatie
De functie is ingeschaald in schaal 9, conform de CAO Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening. De aanstelling vindt plaats voor een jaar met de mogelijkheid tot verlenging. Een assessment of een verzoek referenties te overleggen kan deel uitmaken van de sollicitatieprocedure. Informatie over de functie is te verkrijgen bij Maaike Graaff of Monike Walraven. Zij zijn in mei te bereiken via 040-2569517 of info@vluchtelingenindeknel.nl
Sollicitaties met motivatie graag per e-mail uiterlijk 1 juni 2015 aan de voorzitter van het bestuur, de heer W. Steenbergen: wimsteenbergen[AT]vluchtelingenindeknel.nl


 Zie: http://www.vluchtelingenindeknel.nl/organisatie/vacature/

Ik verbaas me wel dat nu het Rijk BedBadBrood gaat bieden allerlei lokale initiatieven gaan uitbreiden. Je kan namelijk verwachten dat die minder werk krijgen. In Amsterdam wordt er nu ook op de subsidie gekort. Immers een deel van hun doelgroep op zijn minst kan nu gebruik maken van de landelijke voorzieningen. Als jurist denk ik ook bij de naam Vluchteling niet aan uitgeprocedeerde illegalen maar ik kan me voorstellen dat dat voor de niet-juristen zo is gedaan.

Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

Raad van State is zonneklaar: Motiveringsplicht lichter middel bij vreemdelingenbewaring. Repareren kan niet!


ECLI:NL:RVS:2015:1588

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 13-05-2015
Datum publicatie 20-05-2015
Zaaknummer 201503619/1/V3
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Bij besluit van 2 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

201503619/1/V3.
Datum uitspraak: 13 mei 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 april 2015 in zaak nr. 15/7103 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 28 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in grief 2, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien het aan de maatregel van bewaring klevende motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat ten tijde van het opleggen van de maatregel niet is beoordeeld of in zijn geval met een lichter middel dan inbewaringstelling kon worden volstaan, gelet waarop sprake is van schending van een zorgvuldigheidsnorm en dit niet met toepassing van voornoemd artikel kan worden gepasseerd.
1.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201503491/1/V3 in overweging 1.2.2. beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 april 2015, waarbij hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 2 april 2015 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 april 2015 in zaak nr. 15/7103;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;
V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.305,00 (zegge: drieduizend driehonderdvijf euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Vonk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

 Link naar de uitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2015:1588


ECLI:NL:RVS:2015:1593

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 13-05-2015
Datum publicatie 20-05-2015
Zaaknummer 201503491/1/V3
Rechtsgebieden Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Bij besluit van 5 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

201503491/1/V3.
Datum uitspraak: 13 mei 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 april 2015 in zaak nr. 15/7263 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien het aan de maatregel van bewaring klevende motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De vreemdeling voert hiertoe, voor zover thans van belang, aan dat de staatssecretaris gelet op punt 45 van het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi (ECLI:EU:C:2014:1320; hierna: het arrest Mahdi) niet kan volstaan met achteraf te motiveren waarom in zijn geval niet met toepassing van een lichter middel is volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, omdat hij reeds na het opleggen van de maatregel moet kunnen beoordelen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden.
1.1. De vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), omdat Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) op hem van toepassing is.
1.1.1. Ingevolge artikel 28, vierde lid, van de Dublinverordening zijn op de voorwaarden voor de bewaring van personen en op de waarborgen die gelden voor in bewaring gehouden personen, met het oog op het veiligstellen van de procedures voor overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, de artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013 L 180, hierna: de Opvangrichtlijn) van toepassing.
Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Opvangrichtlijn wordt bewaring schriftelijk bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. In het bevel tot bewaring worden de feitelijke en juridische gronden vermeld waarop het gebaseerd is.
Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348, hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt de inbewaringstelling schriftelijk gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden.
1.1.2. Nu de eisen die de Opvangrichtlijn en de Terugkeerrichtlijn stellen aan een inbewaringstelling gelijk zijn, bestaat geen grond om hetgeen het Hof in het arrest Mahdi heeft overwogen niet van overeenkomstige toepassing te achten op de inbewaringstelling van personen die vallen onder de Dublinverordening.
1.2. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 januari 2015 in zaak nr. 201408655/1/V3 moet de staatssecretaris, mede gelet op het gewicht dat het Hof in de punten 45 en 46 van het arrest Mahdi aan de belangen van de vreemdeling en de controlerende rechter heeft toegekend, in een verlengingsbesluit motiveren of is voldaan aan de in artikel 15, eerste en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn omschreven vereisten.
Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 april 2015 in zaak nr. 201502024/1/V3 bestaat geen aanleiding om in gevallen waarbij het de oplegging van de maatregel betreft anders te oordelen.
1.2.1. Vaststaat dat in het besluit van 5 april 2015 de benodigde motivering ontbreekt. In verband hiermee heeft de staatssecretaris op 17 april 2015 dat besluit alsnog schriftelijk van een kenbare motivering voorzien.
1.2.2. In punt 45 van het arrest Mahdi heeft het Hof veel gewicht toegekend aan het belang van de vreemdeling om zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden en aan het belang van de rechter om ten volle de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling te kunnen uitoefenen. Met dit oordeel is niet verenigbaar dat de voor inbewaringstelling van een vreemdeling vereiste motivering eerst na de oplegging van de maatregel van bewaring en in een ander document dan het besluit waarbij die maatregel wordt opgelegd, kenbaar wordt gemaakt. Om die reden kan het aan het besluit van 5 april 2015 klevende motiveringsgebrek niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank heeft gelet hierop niet onderkend dat de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring in verband hiermee van aanvang af onrechtmatig is geweest.
1.3. De grief slaagt reeds hierom.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 april 2015, waarbij hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 5 april 2015 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 april 2015 in zaak nr. 15/7263;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;
V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.115,00 (zegge: drieduizend honderdvijftien euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Vonk
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015

Hier staat de uitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2015:1593


Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

‘Full Coverage’: Family Life, Exceptionality and the Rules by Asad Ali Khan (artikel 8 EVRM familieleven volgens de Britten)



The Secretary of State for the Home Department v SS (Congo) & Ors [2015] EWCA Civ 387 (23 April 2015)
In these cases relating to the admission of spouses under Appendix FM, the Court of Appeal (Richards, Underhill and Sales LJJ) unanimously allowed the Home Office’s appeals against the decisions of the Upper Tribunal in the cases of SS (Congo), BM (Afghanistan), BB (Pakistan) and FA (Somalia). Their Lordships also refused to extend time for the Home Office to apply for permission to appeal in the cases of AC (Canada) and KG (India). The court held that compelling circumstances needed to be demonstrated in order to qualify for the grant of leave to enter outside the Immigration Rules (pursuant to residual discretion) on the basis of article 8 where an application for admission to the UK as the spouse or family member of a British citizen or refugee failed to meet the minimum income or evidence of income requirements under the rules. Richards LJ stressed the point that the use of the phrase “exceptional circumstances” in instructions to officials does not make the leave to remain and enter provisions of the rules into a complete code but he equally explained that nothing turns on the distinction, one which is clearly without a difference.
On the slippery subject of the codification of article 8 within the rules, Richards LJ held that the concept of a “complete code” should not be given undue weight by the courts. The question on appeal was whether the decisions of the First-tier Tribunal were so affected by Blake J’s overruled first instance reasoning in MM (Lebanon) [2013] EWHC 1900 (Admin) (see here) that the Home Office’s appeals fell to be allowed (which, of course, they were in light of the later ruling in MM (Lebanon) [2014] EWCA Civ 985, see here). All the respondents had been refused leave because their sponsoring spouse’s income failed to satisfy the minimum requirements in Appendix FM and Appendix FM-SE of the Immigration Rules. Referring to the recent case of Singh [2015] EWCA Civ 74 (see here), the court yet again endorsed the unappealed case of Nagre [2013] EWHC 720 (Admin) as containing “an accurate statement of the law”.
Context
Richards LJ held that in the absence of compelling circumstances, where the rules are not met refusal of admission might be fair and proportionate because the state is entitled to give regard to factors such as public resources and the desirability of promoting social integration. (As headlined above, his Lordship also held that the concept of a “complete code” should not be given undue weight by the courts.) He, moreover, explained that the instructions on claims outside the rules needed to be read dynamically. Accordingly, the phrase “exceptional circumstances” covered any article 8 case in which on proper analysis under article 8 at the second stage it would be disproportionate to refuse leave. The court discerned that there could be no general proposition that leave to remain or leave to enter outside the rules should only be granted in exceptional cases. Yet, speaking specifically, it was equally obvious in light of the Strasbourg jurisprudence that in the absence of children a proper application of article 8 might itself make it clear that the legal test for grant of leave to remain or leave to enter outside the rules:
29. … should indeed be a test of exceptionality.
As observed by the Supreme Court in Munir [2012] UKSC 32 (see here), the scheme of the Immigration Act 1971 allows wide discretion for leave to enter or remain to be granted where an applicant cannot show that they satisfy the conditions prescribes the rules.
In MM (Lebanon), Blake J’s analysis, one that was characterised as demonstrating “great learning”, elected to describe the new minimum income requirements as “a rather cruel piece of mockery”. But, because he used to be a human rights lawyer, Blake J allowed his emotions and feelings get in the way and his judgment did not hit the target. Aikens LJ, Treacy and Maurice Kay LJ therefore corrected him and held that the income requirements were not a disproportionate interference with the UK partners’ rights under article 8.
Notably, as held in Huang [2007] UKHL 11, rules formulated in a completely irrational way are challengeable on ordinary domestic public law grounds as regards their lawfulness. However, as demonstrated in MM (Lebanon) a challenge of this nature is an arduous task in terms of sustainability. As noted above, all the respondents had been refused leave because their sponsoring spouse’s income failed to satisfy the minimum requirements in Appendix FM and Appendix FM-SE.
The court held that the decision-maker did not have to take into consideration any reasonable prospect of future improvement in the sponsor’s finances. Richards LJ, moreover, held that marginally missing the minimum requirement does not amount to compelling circumstances warranting the grant of leave to enter.
Judgment and Case Law
For Richards LJ, Gül v Switzerland (1996) 22 EHRR 93 and Sen v Netherlands (2001) 36 EHRR 7 both supported the proposition that a person outside the UK might have a good claim under article 8 to be admitted to the UK to join family members and continue an existing family life. But no automatic right of entry is conferred by article 8 and – as shown by Quila [2011] UKSC 45, Abdulaziz v UK (1985) 7 EHRR 471 and Gül – it does not generally oblige a state to facilitate the choice made by a married couple to reside in it. Equally, Huang [2007] UKHL 11 was clear about the state’s entitlement to control immigration.
As highlighted above, the court held at para 39 that where rules are not met refusal of admission might be fair and proportionate because the state is entitled to give regard to factors such as public resources and the desirability of promoting social integration. The court also reiterated that though children’s interests are a primary consideration and diminish the state’s margin of appreciation, they do not automatically warrant the grant of leave to enter and age, proximity of relationship and whether family life is enjoyable elsewhere remain important questions.
Mentioning key authorities such as E (Children) (Abduction: Custody Appeal) [2011] UKSC 27 and ZH (Tanzania) [2011] UKSC 4, Richards LJ held at para 39 that the mere fact that “the interests of a child are in issue does not simply provide a trump card so that a child applicant for positive action to be taken by the state in the field of article 8(1) must always have their application acceded to.”
The court appraised the authorities to mean that the state had a wider margin of appreciation in relation to leave to enter than it did in relation to leave to remain. Richards LJ added that this analysis is already reflected in the exclusion of section EX.1 from entry clearance as opposed to leave to remain matters and the entry rules “therefore maintain, in general terms, a reasonable relationship with the requirements of article 8 in the ordinary run of cases.”
Compelling Circumstances
Yet, the court was able to imagine cases where individual interests were so compelling that a claim for entry outside the rules was established and the appropriate general formula of showing the existence of compelling circumstances – insufficiently recognised under the new rules – dictated the grant of leave to enter. This analysis corresponded with para 29 of Nagre and para 44 of Haleemudeen [2014] EWCA Civ 558. Whilst the court rejected the proposition that “compelling circumstances” test was as onerous as the exceptionality or “very compelling circumstances” test (applicable to the precariousness of family relationships and deportation of foreigners convicted of serious crimes in the special contexts) explained in MF (Nigeria) [2013] EWCA Civ 1192, Richards LJ held at para 41 that:
It is a fairly demanding test, reflecting the reasonable relationship between the rules themselves and the proper outcome of application of article 8 in the usual run of cases.
The formulation, which avoids the need for any excessive hair splitting by first instance decision-makers and tribunals, was aided by the benefit of simplicity and served to reduce misunderstandings by first instance decision-makers and tribunals in instances – such as those evidenced in PG (USA) [2015] EWCA Civ 118, see here – where concurrent applications for leave to enter and remain were at play.
Complete Code
On this point Richards LJ emphasised that undue weight should not be given by the courts to the notion of a “complete code” and the first task at hand related to identifying the substantive content of the relevant rules. Where an application failed the requirements of the rules and the applicant had a reasonably arguable article 8 claim that was not sufficiently dealt with under the rules then his or her interests needed to be balanced against the public interest to ascertain whether or not a refusal of leave to enter would be disproportionate.
To the Court of Appeal, the codification of the Immigration Rules was not necessarily complete. In that regard, Richards LJ made some points in clarification. He identified at para 43 that the controversy insignificantly impacted the legal approach to be taken in the normal run of cases. Reminding himself of Sir John Dyson MR’s observation in MF (Nigeria) that the intrigue about a “complete code” was a “sterile question” because of the two-stage approach’s prevalence irrespective of whether a case falls to be addressed on a part of the rules which was a complete code or not, his Lordship said that:
45. Sometimes, the latter stage of the analysis will be covered by the text of the rules themselves, as in relation to the rules governing deportation of foreign criminals reviewed in MF (Nigeria). Those rules laid down substantive conditions which, if satisfied, would lead to the grant of leave to remain, but also stated that leave to remain might be granted “in exceptional circumstances” if the substantive conditions were not satisfied in a particular case. Where the rules take this form, it can be said that they form a “complete code”, in the sense that both stages of analysis are covered by the text of the rules. But this does not take one very far, since under the “exceptional circumstances” rubric one still has to allow for consideration of any matters bearing on the application of article 8 for the purposes of the second stage of the analysis … This is the basic point made by this court … in MF (Nigeria).
46. In other contexts under the rules, such as in the sections of the rules dealing with leave to remain and leave to enter, the rules lay down substantive conditions for grant of leave, but do not themselves say that leave should also be granted in other cases where there are “exceptional circumstances”. Where the rules take this form, they do not constitute a “complete code” in the sense in which that term is used in MF (Nigeria) at para 44, since the rules themselves only cover the first stage of analysis referred to above, and the second stage is left to be covered under the general law by the Secretary of State’s residual discretion, as governed by her obligations under section 6(1) of the HRA. But just as in the “complete code” case, the second stage of the analysis will be relevant in this class of case too, and any matters germane to the question whether there would be a violation of article 8 should be brought into account at that stage.
Giving a further tip, at para 49, Richards LJ placed emphasis on the point that the use of the phrase “exceptional circumstances” in the guidance does not render the leave to remain and enter provisions of the rules into a complete code, as contemplated by Lord Dyson in MF (Nigeria), but nothing turned on the distinction. Equally, the phrase “exceptional circumstances” needs to be construed in a generous fashion and it provides coverage to “any case in which on proper analysis under article 8 at the second stage it would be disproportionate to refuse leave” (original emphasis). The court used the opportunity to spell out the position delineated in paras 13, 14 and 49 of Nagre and Richards LJ simply said this to dispel future ambiguity:
49. … Thus, the cases covered by the “exceptional circumstances” guidance in the instructions to officials will fall within a wider or a narrower area in line with the changing requirements of article 8 across the gamut of cases it covers, depending on the context in which the cases arise and their particular facts. As we have sought to explain above, the “exceptional circumstances” contemplated by the instructions are not always as narrowly confined as in the foreign criminal context discussed in MF (Nigeria) and the precarious relationship context discussed in Nagre.
“Near Miss”
Richards LJ took the opportunity to strike the right balance between the rivaling submissions of the parties. The government did not cede territory on this point. It maintained the submission that “a miss is as good as a mile” and that a near miss should be irrelevant to the article 8 balancing exercise. However, the argument was dismissed. Despite the authority of Miah [2012] EWCA Civ 261 (see here), where an argument of a similar hue as the one canvassed by the respondents was rejected, the instant court let it be known that:
56. However, it cannot be said that the fact that a case involves a “near miss” in relation to the requirements set out in the rules is wholly irrelevant to the balancing exercise required under article 8. If an applicant can show that there are individual interests at stake covered by article 8 which give rise to a strong claim that compelling circumstances may exist to justify the grant of leave to enter outside the rules, the fact that their case is also a “near miss” case may be a relevant consideration which tips the balance under article 8 in their favour. In such a case, the applicant will be able to say that the detrimental impact on the public interest in issue if leave to enter is granted in their favour will be somewhat less than in a case where the gap between the applicant’s position and the requirements of the rules is great, and the risk that they may end up having recourse to public funds and resources is therefore greater.
However, the court said that applicants must desist from expecting the decision-maker to speculate about any improvements in their earnings and applications should be made once the rules could be met. The court also said at para 57 that it would be improper for applicants “on the horizon” to be able “to jump the queue by asking for preferential treatment outside the rules in advance” because the state was entitled to operate the rules “in the usual way” and those who failed them could reapply at a later time. (The expression “on the horizon” being synonymous with the existence of a reasonable prospect that in the near future, within weeks or months, the sponsors would in fact be able to satisfy the requirements of the rules.) Most of all, decision-makers cannot be “required to take a speculative risk as to whether the requirements in the rules will in fact be satisfied in the future when deciding what to do.”
The court took the middle ground. On the one hand, it held that although marginally missing the minimum requirement does not amount to compelling circumstances warranting the grant of leave to enter. Conversely, it was also said that marginally missing the minimum requirement might possible tip the scales.
But all this needed to be read against the general warning that the tactic of making an unsatisfactory application (which failed on the rules) and later curing it on appeal (by meeting the rules at a future date by using post-decision evidence) in the hope that the court or tribunal would grant leave to enter:
  • is an illegitimate way of trying to jump the queue;
  • is an improper attempt to subvert the operation of the rules; and
Disposal
The tribunals had been wrong to rely on the first instance decision in MM (Lebanon) and their erroneous treatment suffered from a failure to ascribe proper weight to the minimum income requirements in the rules and also failed to properly identify compelling circumstances that required leave to enter outside the rules to be granted. Similarly, post-decision evidence had been entertained and excessive weight was ascribed to near misses.
Whilst a refugee who could not be expected to return to his country of origin to resume family life with his applicant spouse, SS (Congo)’s argument based on that ground was rejected by the court at para 67. In light of the differences in the article 8 analysis between the (juxtaposed) leave to remain and leave to enter cases, Richards LJ went on to hold that section EX.1 in Appendix FM (i.e. insurmountable obstacles to carrying on family life outside the UK) had no purchase in entry clearance matters. The court therefore reasoned that the mere fact that the existence of an insurmountable obstacle to pursuing family life outside the UK provided grounds for leave to remain to be granted did not mean that an insurmountable obstacle was also a reason for leave to enter to be granted.
In relation to BM (Afghanistan) the court took the view at para 76 that “the family simply preferred to come to live in the United Kingdom; but there is no requirement under article 8 that such a preference should be accommodated.”
As for the applications for extensions of time for appealing, in the cases of AC (Canada) and KG (India), the court said that these were to regarded in the same manner as applications for relief from sanctions under rule 3.9 of the Civil Procedure Rules 1998. In doing so, Richards LJ followed the authorities of Hysaj [2014] EWCA Civ 1633, Mitchell [2013] EWCA Civ 1537 and Denton [2014] EWCA Civ 906.
The court’s judgment on the issue of extending time is quite detailed. It contains full coverage of the details of the shortage of talented officers in the government capable of handling the volume and complexity of the appeal work involved. Richards LJ roundly rejected the proposition that there was good reason for delay until valid grounds of appeal became visible from the Court of Appeal’s judgment (impending at the material time) in MM (Lebanon). Evaluating the situation in terms of the public interest and certainty, and finding against the government on the point, the court held that:
109. We consider that approach to be wrong in principle. If it were open to parties to justify lengthy delays in applying for permission to appeal on the basis that they were waiting to see what emerged from judgments in other cases under appeal, it would be liable seriously to undermine the time-limit in the rules and to create serious uncertainty for litigants. The right course is to file a notice of appeal and to seek appropriate case-management directions from the Court of Appeal, drawing attention to any relevant outstanding appeal.
Comment
In its bid to extend time, the government argued that it lacked resources to deal with the volume of appeals. It relied on the evidence of an official in the Specialist Appeals Team which provided statistical data about how 14 full-time officials struggled to cope with high volumes of work involving an average of 450 appeals per month in the period May-September 2013 and reaching a peak of 1060 in February 2014. Other childish excuses also include reliance on the time taken (5 months) “to get staff members trained, and a further 6 months for new staff to be fully effective, and 2 experienced staff were on long-term sick leave.”
Although the judges did not really expand on the issue, it is totally out of order that the government keeps changing the rules at the drop of a hat but does not possess the proper infrastructure to deal with the appeals generated by the operation of those very rules. The fact that this lack of capacity, i.e. a lack of experienced staff and talent, is later invoked to extend time to appeal is quite appalling. This is the type of incompetence that is the Home Office’s trademark.
Although the government won these appeals, limited comfort can be found in the fact that the court dealt with the issue of extending time robustly and did not allow the Home Office to have its cake and eat it too.
The six appeals analysed above, relating to entry clearance, are the first in a pair of judgments on the problematical subject of “full coverage” of article 8 cases under Appendix FM. The next post examines the case of Agyarko & Ors [2015] EWCA Civ 440 where the Court of Appeal dealt with leave to remain and drawing attention to the Strasbourg case law it concluded that the exceptional circumstances test requires more than relying on a spouse’s nationality. It’s probably fair to say that it’s unlikely that we earthlings will be able see the Dark Side of the Moon or that earthshine will reach it!

 Vindplaats: https://asadakhan.wordpress.com/2015/05/20/full-coverage-family-life-exceptionality-and-the-rules/


Interessant artikel? Deel het eens met uw netwerk en help mee met het verspreiden van de bekendheid van dit blog. Er staan wellicht nog meer artikelen op dit weblog die u zullen boeien. Kijk gerust eens rond. Zelf graag wat willen plaatsen? Mail dan webmaster@vreemdelingenrecht.com In verband met geldwolven die denken geld te kunnen claimen op krantenartikelen die op een blog als deze worden geplaatst maar na meestal een dag voor de krantenlezers aan leeswaardigheid hebben ingeboet terwijl wij vreemdelingenrecht specialisten ze soms wel nog jaren gebruiken om er een kopie van te maken voor een zaak ga ik over tot het plaatsen van alleen het eerste stukje. Ja ik weet het: de kans dat u doorklikt is geringer dan wanneer het hele artikel hier staat en een kopie van het orgineel maken handig kan zijn voor uw zaak. Wilt u zelf wat overnemen van dit weblog. Dat mag. Zet er alleen even een link bij naar het desbetreffende artikel zodat mensen niet alleen dat wat u knipt en plakt kunnen lezen maar dat ook kunnen doen in de context.

BOl.com

Weekdeals (300x250)

Amazon

Recente berichten


en meer

Vreemdelingenrecht.com blog Headline Animator

Lekker gemakkelijk: Neem een e-mail abonnement op deze blog

Leuk dat u vandaag deze weblog leest! Wist u dat u zich kan aanmelden voor een e-mail abonnement? Wanneer ik dan nieuwe berichten plaats krijgt u hooguit eens per dag een mailtje met een overzicht van de nieuwe berichten. Die berichten kunnen gaan over wat er in de krant staat over asielzoekers, migranten of politieke strubbelingen over het vreemdelingenbeleid, maar het kunnen ook interessante uitspraken van de rechtbank of de Raad van State betreffen of nieuw beleid van meneer Teeven. Een abonnement kost u niets. Het enige wat u hoeft te doen is op onderstaande link te klikken en later er om te denken dat u uw wens bevestigt (u krijgt hiervoor een engelstalig mailtje van feedburner dus let op uw spamfilter!!!!)

Subscribe to Vreemdelingenrecht.com blog by Email

Vreemdelingenrecht.com blog Headline Animator