LJN: BJ2226,President Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Amsterdam , AWB 09/21761
Datum uitspraak: 26-06-2009
Datum publicatie: 14-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Inhoudsindicatie: Soedan en zicht op uitzetting
Uit de door verweerder verstrekte informatie kan geen concreet zicht op uitzetting binnen redelijke termijn van eiser naar Soedan worden afgeleid. Niet is gebleken dat er enige lp is verstrekt in het afgelopen jaar (aan gedocumenteerden, danwel ongedocumenteerden). Het feit dat één persoon via het IOM is teruggekeerd, alsmede dat er een voornemen bestaat bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om op korte termijn af te reizen naar Soedan doet hieraan niet af. Niet is aangegeven hoe concreet het voornemen is, wat wordt verstaan onder korte termijn en wat de bedoeling danwel verwachting is van het voorgenomen bezoek van de DT&V.
Bron: www.rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
17 juli 2009
Geen zicht op uitzetting naar Soedan (uitspraak)
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
4:20 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: laissez passer, lp, lp-aanvragen, Soedan, uitzetten, vreemdelingenbewaring, vreemdelingendetentie, zicht op uitzetting
MK Amsterdam oordeelt dat EU richtlijn voor gezinshereniging ook geldt voor iemand die in 2 landen woont (uitspraak)
LJN: BJ2237,President Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Amsterdam , AWB 08/28060, 08/28068
Datum uitspraak: 07-07-2009
Datum publicatie: 14-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Verblijfsrichtlijn / artikel 8.7, 8.12 en 8.13 van het Vb / procesbelang / algemene rechtsbeginsel van effectieve rechtsbescherming
Eiseres heeft een aanvraag gedaan tot verlening van een bewijs van rechtmatig verblijf op grond van de Verblijfsrichtlijn op grond van haar relatie met referent. Referent is een Nederlander die woonachtig is in Nederland én in Duitsland, alwaar hij eveneens een verblijfsrecht geniet. Referent is in dienst bij een Duitse B.V. en enig aandeelhouder van een Nederlandse textielagent. Verweerder heeft het bestreden besluit kort voor de zitting ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij de vernietiging van het ingetrokken besluit. Dit belang vloeit voort uit het EG-rechtelijke algemene rechtsbeginsel van effectieve rechtsbescherming. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank oordeelt vervolgens dat artikel 8.7 van het Vb 2000 richtlijnconform dient te worden uitgelegd en aldus moet worden gelezen dat deze bepaling ook ziet op een Nederlander die zich begeeft naar of (tevens) verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en dat een richtlijnconforme lezing van artikel 8.12 van het Vb 2000 met zich brengt dat ook de partner als bedoeld in artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000, van een zowel in Nederland als in Duitsland woonachtige Nederlander, onder omstandigheden rechten kan ontlenen aan dit artikel.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 08 / 28060 BEPTDN (beroep) AWB 08 / 28068 BEPTDN (voorlopige voorziening)
V-nr: *
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter
in het geding tussen:
eiseres en verzoekster [naam], geboren [datum] in 1971, van Vietnamese nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna eiseres),
gemachtigde: mr. T.P.A. Weterings, advocaat te Amsterdam
en:
de staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. C. Brand, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie te ’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een bewijs van rechtmatig verblijf op grond van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Verblijfsrichtlijn) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen op 1 april 2008 bezwaar gemaakt. Eiseres is op 25 juni 2008 gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 31 juli 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiseres na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiseres Nederland uit eigen beweging binnen 4 weken moet verlaten.
Op 4 augustus 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 4 augustus 2008 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Omdat eiseres hangende het beroep tegen het besluit van 31 juli 2008 terug is gekeerd naar Vietnam, heeft zij de rechtbank bij brief van 29 september 2008 verzocht het petitum te wijzigen in die zin dat thans verzocht wordt om verweerder op te dragen eiseres te behandelen als ware haar verblijfsrecht als familielid van een gemeenschapsonderdaan reeds door verweerder vastgesteld.
Bij besluit van 16 januari 2009 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van eiseres van een visum kort verblijf afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hangende het bezwaar toelating te verlenen door eiseres te behandelen als ware zij in het bezit van een visum. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft dit verzoek bij uitspraak van 21 april 2009 afgewezen (AWB 09/3993).
Bij brief van 5 juni 2009 heeft verweerder het besluit van 31 juli 2008 ingetrokken. Eiseres heeft bij brief van 8 juni 2009 aangegeven hierin geen aanleiding te zien om het beroep in te trekken. Eiseres heeft aangegeven voor wat betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, het petitum te handhaven. Het petitum van het beroep heeft eiseres gewijzigd.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 5 juni 2009 gegrond te verklaren, het intrekkingsbesluit van 5 juni 2009 te vernietigen, het besluit van 31 juli 2008 te vernietigen, zelf in de zaak te voorzien en verweerder te gelasten eiseres een verblijfsvergunning te verlenen dan wel verweerder te gelasten binnen een termijn van vier, subsidiair zes, weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op verbeurte van een dwangsom en om verweerder op te dragen eiseres met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te behandelen als ware haar verblijfsrecht als familielid van een gemeenschapsonderdaan reeds door verweerder vastgesteld en verweerder te gelasten haar toegang te verlenen tot Nederland door afgifte van een kosteloos terugkeervisum. Subsidiair verzoekt eiseres de rechtbank haar beroep op te vatten als een beroep op de voet van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en het beroep tegen een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond te verklaren en verweerder te gelasten binnen een termijn van vier, subsidiair zes, weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op verbeurte van een dwangsom.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was de vriend van eiseres [naam] (referent) ter zitting aanwezig.
De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2. Standpunten van partijen
1. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het besluit van 31 juli 2008 is ingetrokken omdat het daarin verwoorde standpunt van verweerder niet houdbaar is en omdat het besluit in taalkundig opzicht niet helder is. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiseres geen procesbelang heeft bij het beroep tegen het ingetrokken besluit van 31 juli 2008. Subsidiair stelt verweerder dat, mocht er een procesbelang zijn, deze zaak zich er niet voor leent dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. De zaak is erg complex en niet valt uit te sluiten dat er nog een gehoor zal plaatsvinden. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld niet in te willen en kunnen gaan op de inhoudelijke beroepsgronden noch op vragen van de rechtbank aangaande het relevante EU-recht. Na herhaald verzoek heeft verweerder ter zitting afgezien van de bepaling van een nader standpunt. Verweerder heeft voorts niet verzocht om de vragen van de rechtbank schriftelijk te mogen beantwoorden.
Verweerder heeft verder aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van het subsidiair gevorderde, met dien verstande dat er geen aanleiding is een dwangsom op te leggen. Verweerder zegt namelijk toe dat er binnen zeven weken een nieuw besluit wordt genomen.
2.1 Eiseres heeft in haar beroepsgronden van 21 augustus 2008, mede onder verwijzing naar hetgeen reeds in bezwaar door haar was aangevoerd, gemotiveerd betoogd dat zij op grond van de Verblijfsrichtlijn recht heeft op het verzochte bewijs van rechtmatig verblijf. Na intrekking van het bestreden besluit is namens eiseres ter zitting betoogd dat hetgeen aan de rechtbank is verzocht, primair gericht is op het verkrijgen van een zo spoedig mogelijk definitief oordeel van de rechtbank omtrent het verblijfsrecht van eiseres, zodat zij zo spoedig mogelijk zal kunnen terugkeren naar Nederland. Eiseres heeft evenwel aangegeven dat het verstrekken van een terugkeervisum inderdaad een bevoegdheid betreft van de Minister van Buitenlandse Zaken en niet van verweerder.
2.2 Referent heeft ter zitting, onder meer, naar voren gebracht dat hij en eiseres zich afvragen of de intrekking van het besluit daags voor de zitting - waarvoor hij speciaal vanaf een zakenreis in Singapore was teruggekomen - een vertragingstactiek van verweerder is en of daarmee beoogd is om te voorkomen dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren. Ook heeft hij naar voren gebracht dat eiseres middels de hier aan de orde zijnde aanvraag wil bewerkstellingen dat zij referent kan vergezellen tijdens zijn werkzaamheden in de verschillende landen.
3. Oordeel rechtbank
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 5 juni 2009
3.1 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij haar verzoek om het intrekkingsbesluit van 5 juni 2009 te vernietigen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Voor hetgeen eiseres wenst te bereiken met het primair verzochte, namelijk dat de rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit van 31 juli 2008, is een vernietiging van het intrekkingsbesluit van 5 juni 2009 niet vereist. De intrekking van het besluit van 31 juli 2008 staat ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb immers niet in de weg aan vernietiging van dat besluit. Om de vernietiging van het besluit van 31 juli 2008 te bewerkstelligen, hetgeen op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb een vereiste is voor de aan de rechtbank gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien, is de (voorafgaande) vernietiging van het intrekkingsbesluit van 5 juni 2009 dus niet noodzakelijk. Het beroep is, voor zover het zich richt tegen het intrekkingsbesluit van 5 juni 2009, derhalve niet-ontvankelijk.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 31 juli 2008
3.2 De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel procesbelang heeft bij de vernietiging van het ingetrokken besluit van 31 juli 2008 op de voet van artikel 6:19, derde lid, van de Awb. Dit belang vloeit voort uit het EG-rechtelijke algemene rechtsbeginsel van effectieve rechtsbescherming, welk beginsel onder meer de daadwerkelijke toegang tot een rechter eist en met zich brengt dat de mogelijkheid om de rechter te adiëren niet mag worden beperkt. In dit verband is relevant dat de hier aan de orde zijnde procedure een aanvang heeft genomen op 10 maart 2008 middels het verzoek om verlening van een bewijs van rechtmatig verblijf op grond van de Verblijfsrichtlijn. Hangende de procedure die volgde is eiseres, vanwege de gezondheid van haar moeder, teruggekeerd naar Vietnam. Het door haar verzochte terugkeervisum is afgewezen, net als de door haar in het kader van die procedure verzochte voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft in de desbetreffende uitspraak van 21 april 2009 (AWB 09/3993) een voorlopige rechtmatigheidsheidsbeoordeling achterwege gelaten, omdat gegeven de complexiteit van de onderliggende EU-problematiek die in de onderhavige zaak door deze meervoudige kamer wordt behandeld, geen goede prognose kon worden gemaakt van de uitkomst van het bodemgeschil. Eiseres, die thans tegen haar wens gescheiden van referent leeft, mocht er derhalve vanuit gaan dat zij op korte termijn na de zitting van deze meervoudige kamer van de rechtbank een rechterlijk oordeel zou krijgen over het materiële geschil. Dit vooruitzicht is eiseres vijf dagen voor de zitting ontnomen doordat verweerder haar bij brief heeft laten weten het besluit van 31 juli 2008 alsnog in te trekken. Bovengenoemde omstandigheden in ogenschouw genomen, acht de rechtbank iedere verdere vertraging in deze zaak onacceptabel, hetgeen onder deze omstandigheden voor eiseres procesbelang met zich meebrengt in haar beroep tegen het ingetrokken besluit van 31 juli 2008. Eiseres zal worden ontvangen in haar beroep voor zover het zich richt tegen het besluit van 31 juli 2008.
Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 31 juli 2008
3.3 Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Ingevolge artikel 6:18, derde lid, van de Awb mag het bestuursorgaan na de intrekking of wijziging, zolang het bezwaar of beroep aanhangig blijft, geen besluit nemen waarvan de inhoud of strekking met het oorspronkelijke besluit overeenkomt, tenzij: a. gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen en b. het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar of beroep ook bevoegd zou zijn geweest.
3.4 Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
3.5 Nu verweerder voor de intrekking van het besluit van 31 juli 2008 als motivering heeft gegeven dat het besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering staat het motiveringsgebrek vast, zodat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het besluit van 31 juli 2008 vernietigt wegens schending van artikel 7:12 van de Awb.
Met betrekking tot het verzoek van eiseres aan de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien
3.6 Eiseres heeft de rechtbank verzocht om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. In beginsel kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien als de relevante regelgeving door de rechtbank vol te toetsen bepalingen behelst en de relevante feiten voldoende vaststaan.
3.7.1 Op grond van de door eiseres overgelegde stukken kunnen de volgende feiten als voldoende vaststaand worden aangemerkt.
3.7.2 Eiseres is sinds 18 maart 2008 woonachtig in Weesp bij referent, met wie zij sinds 2006 een relatie heeft. Referent is sinds 8 mei 2000 woonachtig in Weesp en sinds
15 december 2007 tevens woonachtig in Duitsland, alwaar hij eveneens is ingeschreven en een verblijfsrecht geniet. Referent is sinds 20 september 2007 in dienst bij Nunatak (een Duitse B.V.) waarmee hij € 65.000,-- bruto per jaar verdient. Hij werkt gemiddeld 40 uur.
3.7.3 Daarnaast is referent enig aandeelhouder van JAG Holding B.V, een Nederlandse textielagent gevestigd in Amsterdam. Blijkens een brief van Lodder & Co Accountants van
1 juli 2008 vinden de werkzaamheden van JAG Holding BV onder meer plaats in Scandinavië, Engeland, Frankrijk en Duitsland. JAG Holding B.V. factureert onder andere aan Nunatak, blijkens een factuur van 13 december 2007 voor ‘consulting charges’. JAG Holding B.V. onderhoudt daarnaast onder meer een zakelijke relatie met Rivertex UK Ltd, een Engelse vestiging van Winter Group, welke laatste is gevestigd in Zwitserland, in verband waarmee in 2007 een factuur van JAG Holding B.V. is gestuurd naar Rivertex UK Ltd betreffende ‘consulting charges relating to the procurement and production of products in the Far East’. Ook FOV Fabrics (een bedrijf gevestigd in Zweden) en Losberger Intertent (een Duits bedrijf met vestigingsplaatsen in Europa) doen zaken met JAG Holding B.V. blijkens respectievelijk een overgelegde kopie van een bankafschrift uit 2008, een betalingsspecificatie uit 2008 en een samenwerkingsovereenkomst van 10 september 2007.
3.8 In artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn is bepaald dat deze richtlijn van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
3.9 In artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn is, voor zover hier van belang, bepaald dat iedere burger van de Unie het recht heeft gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven,
a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is;
(…)
d. indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b), of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.
In het tweede lid is bepaald dat het verblijfsrecht van lid 1 zich uitstrekt tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a), b), of c).
3.10 Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel in Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
Ingevolge artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 is de eerdergenoemde paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft. (…)
3.11 Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij
a. in Nederland werknemer of zelfstandige is (…);
h. partner is als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, en hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onder a (…).
3.12 Ingevolge artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a (…).
3.13.1 De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiseres, als ongehuwde partner van referent, een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden kan ontlenen aan artikel 8.13 van het Vb 2000.
Om deze vraag te beantwoorden, is allereerst van belang om vast te stellen of referent een burger van de Unie is waarop de Verblijfsrichtlijn van toepassing is. Artikel 8.7 van het Vb 2000 beoogt artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn te implementeren en de rechtbank zal in de eerste plaats beoordelen of artikel 8.7 van het Vb 2000 een juiste implementatie van de Verblijfsrichtlijn bevat. Vastgesteld wordt dat artikel 8.7 van het Vb 2000, anders dan artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn, de werkingssfeer van de Verblijfsrichtlijn beperkt tot vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (...) en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
De rechtbank overweegt dat bepalingen van nationaal recht conform de Verblijfsrichtlijn dienen te worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het begunstigdenbegrip van artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn ruimer dan hetgeen is bepaald in artikel 8.7 van het Vb 2000. Anders dan artikel 8.7 van het Vb 2000, brengt artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn niet met zich dat in een situatie als hier aan de orde, waarin een burger van de Unie woont en werkt in twee lidstaten waaronder die waarvan hij de nationaliteit bezit, de Verblijfsrichtlijn toepassing ontbeert.
3.13.2 Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de omstandigheid dat in het geval eiseres, uitgaande van de huidige feitenconstellatie, de onderhavige aanvraag in Duitsland zou hebben ingediend, wel erkend zou worden dat de Verblijfsrichtlijn op referent van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank strookt dit verschil in uitkomst, afhankelijk van de lidstaat waar de aanvraag is ingediend, niet met de tekst en de ratio van artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn (zie ook een uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van
18 april 2008, AWB 07/28736, 06/61137 en 06/60811).
De rechtbank ziet zich verder gesterkt in haar oordeel door het arrest van 11 juli 2002 van het Hof van Justitie (C-60/00; Carpenter). Hoewel dit arrest dateert van voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de Verblijfsrichtlijn op 30 april 2006, welke richtlijn een hercodificatie en vereenvoudiging is van de regels inzake het personenverkeer, kan uit dit arrest, zoals eiseres terecht heeft aangevoerd, worden afgeleid dat ook burgers van de Unie die (ook) wonen en werken in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten, onder omstandigheden rechten kunnen ontlenen aan de Europese regels betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf.
3.13.3 Het bovenstaande betekent dat artikel 8.7 van het Vb 2000 aldus moet worden gelezen dat deze bepaling ook ziet op een Nederlander die zich begeeft naar of (tevens) verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit. Doordat referent sinds eind 2007 (tevens) woonachtig is in Duitsland, is paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Vb 2000 naar het oordeel van de rechtbank op hem van toepassing.
3.14.1 Vervolgens dient de rechtbank zich te buigen over de vraag of eiseres een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8.13 van het Vb 2000. Het eerste lid van dit artikel geeft aan onder welke voorwaarden een familielid of ongehuwde partner, die niet de nationaliteit bezit van een van de lidstaten, een lang verblijfsrecht in Nederland heeft. Artikel 8.13 van het Vb 2000 wijst terug naar artikel 8.12 van het Vb 2000 en geeft aan onder welke voorwaarden de burger van de Unie een lang verblijfsrecht heeft, waaraan het familielid of de ongehuwde partner vervolgens een afgeleid verblijfsrecht ontleent.
3.14.2 Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.13.1, oordeelt de rechtbank dat ook artikel 8.12 van het Vb 2000 conform de Verblijfsrichtlijn, in dit geval artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn, dient te worden uitgelegd, hetgeen in dit geval met zich brengt dat ook de partner als bedoeld in artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000, van een zowel in Nederland als in Duitsland woonachtige Nederlander, onder omstandigheden rechten kan ontlenen aan dit artikel.
3.14.3 Een voorwaarde voor dit afgeleide recht, is blijkens artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000 dat de burger van de Unie werknemer of zelfstandige is. Los van de eventuele rechten die referent op grond van de Verblijfsrichtlijn zou kunnen ontlenen aan zijn grensoverschrijdende dienstverlening, is de rechtbank van oordeel dat referent reeds op grond van zijn werknemerschap bij Nunatak rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn. Blijkens de onder 3.7 weergegeven feiten, verricht referent naar het oordeel van de rechtbank voor Nunatak reële en daadwerkelijke arbeid. Een richtlijnconforme uitleg van artikel 8.12 van het Vb 2000 brengt dan ook mee, dat de situatie van referent te scharen valt onder artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.
3.14.4 De rechtbank is op grond van het bovenstaande met eiseres van oordeel dat zij als ongehuwde partner een afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, mede gezien de nationale gelijkstelling van een huwelijk of geregistreerd partnerschap met een deugdelijk bewezen duurzame relatie op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000. In dit kader is van belang dat de rechtbank de duurzame relatie tussen eiseres en referent deugdelijk bewezen acht, waaraan verweerder overigens blijkens het verslag van de hoorzitting van 25 juni 2008 evenmin twijfelt.
3.15 De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande aanleiding om conform het verzoek van eiseres zelf in de zaak te voorzien en op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het bezwaar zal gegrond worden verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiseres verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8.13 van het Vb 2000. De rechtbank ziet voorts in de reeds langdurige scheiding aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb verweerder opdracht te geven alsnog binnen twee weken, ingaande vanaf verzending van de uitspraak, eiseres het door haar gevraagde bewijs van rechtmatig verblijf te verlenen.
3.16 Nu eiseres ter zitting niet onomwonden afstand heeft gedaan van haar verzoek aan de rechtbank om verweerder te gelasten haar toegang te verlenen tot Nederland door afgifte van een kosteloos terugkeervisum, overweegt de rechtbank geen ruimte te zien voor tegemoetkoming aan dit verzoek. De bevoegdheid tot de afgifte van visa is op grond van het Soeverein Besluit 1813 toegekend aan de Minister van Buitenlandse zaken en de rechtbank kan deze minister, nu hij geen partij is in dit geding, in het kader van onderstaand beroep en verzoek om een voorlopige voorziening niet opdragen om het gevraagde visum te verstrekken.
3.17 Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor toewijzing van het overige verzochte.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
3.18 De gevraagde voorziening strekt er toe verweerder op te dragen eiseres te behandelen als ware haar verblijfsrecht als familielid van een gemeenschapsonderdaan reeds door verweerder vastgesteld. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden heeft vastgesteld dat eiseres verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8.13 van het Vb 2000.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
3.19 Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
3.20 Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.
4. Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/28060,
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 5 juni 2009 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het ingetrokken besluit van 31 juli 2008 gegrond;
- vernietigt het ingetrokken besluit van 31 juli 2008;
- bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit van 31 juli 2008;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- stelt vast dat eiseres verblijfsrecht heeft op grond van Richtlijn 2004/38/EG;
- draagt verweerder op haar binnen 2 weken in het bezit te stellen van een bewijs van dit verblijfsrecht;
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/28068,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/ voorzieningenrechter,
in alle zaken,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 290,-- (zegge: tweehonderdnegentig euro).
- wijst al het overig verzochte af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, en mrs. H.J.M. Baldinger en E.H. de Jong-van Dooijeweert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2009.
De griffier
De voorzitter
Afschrift verzonden op:
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
4:14 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: familieleden, gezinshereniging, gezinsvorming, Richtlijn, verblijfsvergunning, vreemdelingenrecht
Schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad als de IND laat beslist? (uitspraak)
LJN: BJ2502, Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Haarlem , AWB 08 / 9713
Datum uitspraak: 03-07-2009
Datum publicatie: 14-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Schadevergoeding
Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad omdat het besluit in primo van 7 oktober 2004 inhoudelijk onjuist is gebleken. Daarnaast heeft verweerder niet tijdig, binnen de termijn als bedoeld in artikel 7:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb), beslist op het bezwaar van eiseres. Het bezwaar dateert immers van 8 november 2004, terwijl verweerder eerst op 4 januari 2005 op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank betrekt in de beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751, C06/081HR). In dit arrest overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4: “Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door [verweerster] is gevorderd”. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt het volgende naar voren (zie ondermeer uitspraken van 26 maart 2008 (200705549/1) en van 4 juni 2008 (200707146/1)). De regels van het nationale vreemdelingenrecht, op grond waarvan de vreemdeling recht had op de verblijfsvergunning die de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar uiteindelijk ook heeft verleend, hebben tot doel haar een recht op verblijf voor bepaalde tijd in Nederland te verlenen voor verblijf bij partner en strekken niet tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de vreemdeling. Weliswaar stelt het verlenen van deze verblijfsvergunning de vreemdeling in staat hier te lande een bestaan op te bouwen, maar dit betekent niet dat verlening van de verblijfsvergunning als hier aan de orde ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven en zich te verzekeren tegen ziektekosten. Dat de procedure door toedoen van de staat nodeloos lang heeft geduurd, maakt het vorenstaande niet anders. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komt de door eiseres gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 08 / 9713
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 juli 2009
in de zaak van:
[naam eiseres],
geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,
eiseres,
gemachtigde: mr. K. Mohassel Zadeh, advocaat te ’s-Gravenhage,
tegen:
de minister van Buitenlandse Zaken,
verweerder,
gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Eiseres heeft op 25 mei 2006 verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 17 oktober 2006 afgewezen met uitzondering van de telefoonkosten tot een bedrag van € 250,-. Eiseres heeft tegen het besluit op 24 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 17 maart 2008 beroep ingesteld.
1.2 Verweerder heeft op 19 november 2008 een verweerschrift ingediend.
1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.
2.2 Ingevolge artikel 6:162, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2.3 Ingevolge artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (het relativiteitsvereiste).
2.4 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
Eiseres heeft op 12 juli 2004 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf bij echtgenoot de heer [naam echtgenoot]” bij de Nederlandse ambassade te Teheran. Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres haar aanvraag in het buitenland had afgewacht. Eiseres heeft tegen dit besluit op 8 november 2004 bezwaar gemaakt en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 3 december 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder binnen twee weken op het bezwaar dient te beslissen (AWB 04/49182). Bij brief van 4 januari 2005 heeft verweerder eiseres bericht dat hij geen bezwaren meer maakt tegen de afgifte van een mvv. Eiseres dient haar eigen geldige nationale paspoort te overleggen en een kopie van het Nederlandse papoort van referent. Eiseres heeft op 9 februari 2005 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij echtgenoot de heer [naam echtgenoot]”. Bij besluit van 22 maart 2005 is eiseres de gevraagde verblijfsvergunning verleend.
2.5 Eiseres verzoekt om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden in verband met de onredelijk en verwijtbaar trage afhandeling van haar aanvraag voor een mvv. Hierdoor heeft zij een jaar studie achterstand opgelopen terwijl ze de kosten voor haar studie al had betaald. Daarnaast heeft zij een nieuw vliegticket moeten kopen omdat niet tijdig is beslist. Voorts heeft zij telefoonkosten gemaakt en zal zij een jaar later afstuderen waardoor zij een jaar inkomsten als tandarts misloopt.
2.6 Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de cumulatieve vereisten als genoemd in artikel 6:162 en 6:163 BW. Weliswaar is sprake van een onrechtmatige overheidsdaad door het niet tijdig beslissen, maar er is niet voldaan aan de vereisten van relativiteit en causaliteit omdat de gestelde schade niet in een direct verband staat met het niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag. Immers, eiseres was in Nederland als asielzoeker uitgeprocedeerd en moest daarom terug voor de mvv procedure. Dat eiseres eerder zou zijn afgestudeerd als verweerder tijdig had beslist, wordt niet gevolgd nu eiseres in een schrijven van 1 oktober 2006 heeft aangegeven dat zij geen vertraging dan wel financiële schade heeft opgelopen. De advocaatkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu eiseres daar, gelet op artikel 7:15, derde lid, Awb, in de eerdere procedure om had moeten verzoeken. Gezien het voorgaande komt de gestelde schade, met uitzondering van de telefoonkosten tot € 250,-, niet voor vergoeding in aanmerking.
2.7 Eiseres heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Verweerder is niet ingegaan op hetgeen in bezwaar is aangevoerd. De gronden van bezwaar moeten derhalve als herhaald en ingelast worden beschouwd. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat wel is voldaan aan het relativiteitsvereiste. De norm waaraan getoetst moet worden is of de verweerder naar vermogen zorgvuldig, correct en tijdig heeft beslist. Hieronder is begrepen de mogelijkheid tot het verwerven van arbeid. Deze norm is in casu geschonden. Er is voorts sprake van causaal verband nu eiseres door het late beslissen een jaar later is afgestudeerd. Met het schrijven van 1 oktober 2006 heeft eiseres enkel beoogd aan te geven dat vanaf dat moment geen vertragingen meer zijn opgetreden. De vliegtickets komen voor vergoeding in aanmerking omdat zij er van uit mocht gaan dat verweerder tijdig zou beslissen. De kosten van de advocaat moeten vergoed worden omdat eiseres, gezien de lange duur van de procedure, genoodzaakt was een advocaat in te schakelen. De telefoonkosten moeten voor € 350,- vergoed worden. Er staan veel 0900 nummers op die gebruikt zijn om naar Iran te bellen.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.8 Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met de gestelde onrechtmatige besluitvorming dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor toekenning van schadevergoeding is gelet op de regeling van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in het BW en de ter zake door de civiele rechter gevormde jurisprudentie grond indien er sprake is van een daad van de overheid die onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm, welke onrechtmatige daad de overheid is toe te rekenen. Voorts dient de geschonden norm ertoe te strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste), dient er schade te zijn en moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.
2.9 Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad omdat het besluit in primo van 7 oktober 2004 inhoudelijk onjuist is gebleken. Daarnaast heeft verweerder niet tijdig, binnen de termijn als bedoeld in artikel 7:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb), beslist op het bezwaar van eiseres. Het bezwaar dateert immers van 8 november 2004, terwijl verweerder eerst op 4 januari 2005 op het bezwaar heeft beslist.
2.10 De rechtbank betrekt in de beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751, C06/081HR). In dit arrest overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4: “Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door [verweerster] is gevorderd”.
2.11 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt het volgende naar voren (zie ondermeer uitspraken van 26 maart 2008 (200705549/1) en van 4 juni 2008 (200707146/1)). De regels van het nationale vreemdelingenrecht, op grond waarvan de vreemdeling recht had op de verblijfsvergunning die de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar uiteindelijk ook heeft verleend, hebben tot doel haar een recht op verblijf voor bepaalde tijd in Nederland te verlenen voor verblijf bij partner en strekken niet tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de vreemdeling. Weliswaar stelt het verlenen van deze verblijfsvergunning de vreemdeling in staat hier te lande een bestaan op te bouwen, maar dit betekent niet dat verlening van de verblijfsvergunning als hier aan de orde ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven en zich te verzekeren tegen ziektekosten. Dat de procedure door toedoen van de staat nodeloos lang heeft geduurd, maakt het vorenstaande niet anders.
2.12 De rechtbank zal met inachtneming van het bovenstaande hieronder de door eiseres gevorderde schadevergoeding afzonderlijk per opgegeven schadepost bespreken.
2.13 Met betrekking tot de door eiseres gevorderde schade vanwege misgelopen inkomsten doordat eiseres pas een jaar later zal kunnen afstuderen en daarom pas een jaar later als tandarts kan gaan werken, wordt niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Gelet op de bovengenoemd arrest van de Hoge Raad en de uitspraken van de Afdeling strekt de door eiseres ingediende aanvraag voor een mvv voor het doel “verblijf bij echtgenoot de heer [naam echtgenoot]” niet tot bescherming van haar vermogensrechtelijke belangen. Hoewel de verblijfsvergunning eiseres in staat stelt hier te lande een bestaan op te bouwen, strekt de vergunning er toe om eiseres in staat te stellen gezinsleven met haar echtgenoot uit te oefenen.
2.14 Anders dan zij in haar brief van 1 oktober 2006 heeft aangegeven, namelijk dat de Vrije Universiteit (VU) het collegegeld over het jaar 2004/2005 zal terugstorten, heeft eiseres ter zitting meegedeeld dat zij maar de helft het collegegeld van de VU heeft teruggekregen. Gelet daarop vordert eiseres thans vergoeding van de helft van het betaalde collegegeld over het jaar 2004/2005. Nog daargelaten dat eiseres haar stelling niet heeft onderbouwd, komen de gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking nu ook hierbij niet aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan. Redengevend hiervoor is dat de door eiseres gevraagde mvv er niet toe strekt eiseres in staat te stellen een studie in Nederland te volgen.
2.15 Eiseres stelt voorts dat zij een nieuw vliegticket heeft moeten kopen omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag. Het retourticket dat eiseres had aangeschaft is op 6 oktober 2004 verlopen en eiseres vordert vergoeding van de kosten van het nieuwe ticket. Niet is in geschil dat verweerder voor aanvragen voor mvv een beslistermijn van drie maanden hanteert. De rechtbank is niet gebleken dat deze beslistermijn in het onderhavige geval onredelijk is. Nu de mvv-aanvraag van eiseres dateert van 12 juli 2004 was op het moment dat het retourticket van eiseres verliep nog geen sprake van een overschrijding van de beslistermijn waardoor de door eiseres gestelde schade niet aan verweerder kan worden toegerekend.
2.16 Eiseres heeft aangevoerd dat de vergoeding voor de gemaakte telefoonkosten van € 250,- niet juist is. De gemaakte kosten zijn volgens eiseres € 350,- omdat referent veelvuldig 0900-nummers heeft gebruikt om naar eiseres in Iran te bellen. Nu eiseres niet heeft onderbouwd dat de 0900-nummers voor het gestelde doel zijn gebruikt en de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat dit het geval is, kan eiseres niet worden gevolgd in de door haar gestelde schade van € 350,-.
2.17 De gestelde kosten voor rechtsbijstand in de procedure omtrent de afgifte van een mvv komen reeds niet voor vergoeding in aanmerking nu uit artikel 7:15, derde lid, Awb volgt dat het verzoek om vergoeding van deze kosten had moeten worden gedaan voordat op het bezwaar in de mvv-procedure was beslist. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.
2.18 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komt de door eiseres gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking.
2.19 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
2.20 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, en op 3 juli 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
4:04 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: mvv, mvv-aanvraag, onrechtmatige overheidsdaad, schadevergoeding, vreemdelingenrecht
'Je merkt dat hij de pik heeft op allochtonen'
In e-mailcorrespondentie met de de afdeling personeelszaken was de boodschap van de filiaalmanagers onlangs overduidelijk. Ja, ze hebben dringend extra krachten nodig. Maar alsjeblieft: 'Geen Marokkanen!'.
Toch blijft een jongen van Marokkaanse origine, die al jaren bij een van die omstreden vestigingen werkt, er nuchter onder. Hij wil liever anoniem blijven: 'anders ben ik mijn baan kwijt'. Maar hij onderstreept: "Ik kan er wel mee omgaan. Ik doe gewoon mijn werk en ga daarna weer naar huis."
Wat zijn baas tegen Marokkanen heeft? "Geen idee. Ik weet dat er in sommige filialen overlast is geweest van Marokkaanse bezoekers. Ze kwamen binnen, stopten eten in hun zakken en liepen zonder te betalen weer weg. Maar het personeel gaat hier prima met elkaar om. De bedrijfsleider vraagt gewoon hoe het met je gaat en of het goed gaat op school."
Alleen uit 'kleine dingen' zou je kunnen opmaken dat hij de pik heeft op allochtonen. "Hij heeft bijvoorbeeld minder geduld met ze als ze zich nog moet inwerken."
Bij het AH to go-filiaal op het Centraal Station in Den Haag kun je nog altijd bijna elke smaak uit de multiculturele samenleving terugvinden in AH-tenue. En ondanks de voorkeur van de leiding: ook Marokkanen. Maar volgens enkele medewerkers, die evenmin met hun naam in de krant willen, worden het er wel minder: "Een aantal jaren geleden was de helft ongeveer Marokkaan, nu is dat nog maar 20 procent. Alleen degenen met een vast contract zijn gebleven."
Waarom? Niemand die het precies zegt te weten. Albert Heijn en exploitant Servex (onderdeel van NS) namen gisteren in felle bewoordingen afstand van de oproep om Marokkanen buiten de deur te houden. Wat minster Van der Laan (Integratie) betreft, is daarmee 'de kous af'. Zover is het nog niet. Het Bureau Discriminatiezaken stapt naar de Commissie gelijke behandeling.
En de SP wil dat de Arbeidsinspectie in actie komt. Kamerlid Karabulut: "Dat supermarkten bij het aannemen van personeel discrimineren op leeftijd is bekend. Dat filialen ook willen selecteren op afkomst, is de druppel die de emmer doet overlopen."
Farid Azarkan. directeur van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders (SMN), spreekt van een 'vreselijk incident'. "Iemand die een Marokkaanse naam onder zijn sollicitatiebrief zet, wordt soms minder snel voor een gesprek uitgenodigd. Dat is een feit." Maar Albert Heijn geeft doorgaans juist het goede voorbeeld. "Moslimmeisjes krijgen een speciale, blauwe AH-hoofddoek. Hartstikke leuk."
Ook McDonald's, waar eveneens veel allochtone jongeren werken, laat volgens SMN zien hoe het moet. Directeur Sempels van de fastfoodketen reageert bondig: "Voor ons doet huidskleur of afkomst er niet toe. Het is totaal geen issue."
Bron: http://www.ad.nl/multimedia/archive/00220/AH_Togo_To_Go_Marok_220792h.jpg
Discriminatie is niet goed. Andersom ken ik ook een bedrijf waar de Marokkaanse baas het kerstpakket heeft afgeschaft en waar alleen nog maar moslims worden aangenomen. Uit welk land je ook komt of welke godsdienst je ook hebt, je hebt er aardige en verrotte mensen tussen.
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:51 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Albert Heijn. AH, Marokkaan, Marokkanen
Terreurverdachte kan vluchteling worden
Ex-gevangenen van Guantánamo uitnodigen als vluchteling, lijkt juridisch de beste oplossing voor Nederland. Maar schurken wil het niet.
Premier Balkenende deed president Obama dinsdag een vage toezegging: „Als het sluiten van Guantánamo Bay straks vastzit op het onderbrengen van enkele mensen, moeten we bezien of Nederland een bijdrage kan leveren.” Een dag later was minister Hirsch Ballin (Justitie) al iets concreter. Op Radio 1 zei hij dat als ex-gevangenen hier worden toegelaten, Nederland volledige inzage wil in de dossiers.
De deur om hier terreurverdachten uit Guantánamo Bay op te vangen staat dus op een kier. De eis van Hirsch Ballin is daarom een logische, zegt Lars van Troost, hoofd externe betrekkingen bij Amnesty International. „Het is voor Nederland belangrijk dat er geen concreet bewijs tegen hen is.”
Na zorgvuldige selectie kan de ex-gevangene een verblijfstatus krijgen, verwacht Vluchtelingenwerk. Nederland heeft een hervestigingsbeleid. Ieder jaar haalt het kabinet maximaal vijfhonderd vluchtelingen uit crisisgebieden hier naartoe. Guantánamo-verdachten kunnen onder deze groep worden geschaard. Nederland zit niet te wachten op gevangenen tegen wie wel serieuze verdenkingen van terreurdaden bestaan. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal hen artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag tegenwerpen. Dat houdt in dat bij ernstige vermoedens van schuld aan oorlogsmisdaden een verblijfsstatus uitgesloten is. Daar is geen veroordeling voor nodig.
Er lopen in dit land al enkele honderden ’1F’ers’ rond, voornamelijk Afghanen. Deze ex-asielzoekers zouden in eigen land vuile handen hebben gemaakt. Nederland kan niets met hen. Ze worden niet berecht bij gebrek aan bewijs. Uitzetten blijkt vaak niet mogelijk. Wanneer in hun geboorteland persoonlijk gevaar dreigt, verbiedt artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een gedwongen terugkeer. Dat levert vaak schrijnende situaties op, weet advocaat Marieke van Eik, specialist in 1F-zaken. „Ze komen in een ingewikkelde, illegale gedoogstatus terecht. Nederland zal niet nog meer 1F’ers willen toelaten”
De verwachting is dat de meerderheid van de ruim tweehonderd gevangenen die nog vastzitten op Guantanamo Bay, niet terugkan naar huis. Opgesloten Oeigoeren naar China terugsturen is vragen om moeilijkheden, zegt Van Troost. Hij verwacht dat, mocht het ooit zover komen, Nederland slechts enkele terreurverdachten zal toelaten. De groep waarmee de Verenigde Staten worstelen, bestaat uit enkele tientallen personen. Van Troost: „Obama praat met zo’n beetje de hele Europese Unie. Er zal voor Nederland niet veel overblijven. Wat ook van belang is: willen deze mensen wel naar ons land? Die vraag hoor ik nergens.”
Bron: www.trouw.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:46 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Balkenende, Guantánamo Bay, if, Obama, terreurverdachte, vluchtelingen, vreemdelingenrecht
Boek: Edward van de Vendel en Anoush Elman - De Gelukvinder
Boekreview - door Sander (Anju-Kafei) op 17-07-2009 14:30
Edward van de Vendel staat vooral bekend als schrijver van kinderboeken en –gedichten. Gedurende de afgelopen twee decennia kwam hij met werken voor onder andere kleuters, basisscholieren en jonge pubers op de proppen. Voor de laatstgenoemde categorie schreef hij De Gelukvinder, een boek dat begin 2008 verscheen en behoorlijk positief ontvangen werd. Op verzoek van uitgever Querido heeft Van de Vendel het verhaal nu ook in een variant voor volwassenen gegoten.
Politieke ellende
De Gelukvinder draait om Hamayun, een Afghaanse jongen die al op zeer jonge leeftijd geconfronteerd wordt met de nare politieke ontwikkelingen in zijn moederland. De Taliban is aan de macht gekomen en tolereert in wezen slechts één levensstijl. De bewoners van Afghanistan worden geacht tradities en opgelegde verplichtingen tot in detail na te leven. Zo is het verboden om Westerse televisiezenders of –programma’s te bekijken en dienen mannen een behaarde kin te hebben. Een enigszins vrije denkwijze is al sowieso volledig uit den boze.
Om de laatstgenoemde reden wordt Hamayuns vader opgepakt en vastgezet in een of andere lugubere gevangenis. Na een korte periode komt hij weliswaar weer vrij, maar er blijft een constante angst dat deze wandaad niet eenmalig was. Niemand is zijn bestaan eigenlijk zeker, met mensensmokkelaars en een soort van inconsequente handhaving op de loer. Uiteindelijk wordt er besloten tot immigratie en komt het gezin na een turbulente tocht terecht in Nederland. En hoewel in eerste instantie de gedachte overheerst dat alle ellende door deze zet achter de rug is, blijkt ook het vergaren van een verblijfsvergunning lang niet zo eenvoudig te zijn.
Deels berust op waarheid
Dat de immigrant Anoush Elman een bijdrage heeft geleverd aan het boek en de hoofdlijnen van het verhaal gebaseerd zijn op zijn leven, is overduidelijk merkbaar. De gebeurtenissen worden zeer overtuigend beschreven. Zowel de bizarre levensomstandigheden in Afghanistan als het integratieproces in Nederland zijn interessant, maar bovenal gedetailleerd en doeltreffend uitgewerkt. Dit zorgt ervoor dat je al gauw intens meeleeft met de familie en betrokken raakt bij de gevestigde maatschappelijke standaard.
Spijtig genoeg weet het laatste segment van het werk niet echt te bekoren. Zonder uit de doeken te doen hoe het verhaal zich verder ontplooit, kan gezegd worden dat de vertelwijze niet al te best aansluit op het karakter van de rest van het werk. Na verloop van tijd maakt de zeer overtuigende insteek plaats voor een overdaad aan clichés. Het is de vraag of dit ligt aan het gegeven dat De Gelukvinder van oorsprong een jeugdboek is, maar om deze reden onderscheidt het laatste gedeelte van De Gelukvinder zich dan ook niet van de talloze werken met een vergelijkbaar plot. En dit is ontzettend jammer, want juist op dit vlak ligt tegelijkertijd de kracht van het boek.
Al met al is de Geluksvinder een degelijk werk, dat vooral uitblinkt in de uitstekende weergave van de gebeurtenissen uit het leven van een immigrant. Ondanks dat het laatste gedeelte wat teleurstelt, is het geen straf om het werk door te spitten. Al is het maar omdat de eerste helft zo meeslepend van aard is
Bron: http://frontpage.fok.nl/review/9989
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:41 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Afghaans, Afghanistan, asielzoekers, boek, Elman, Geluksvinder, Vendel, vluchtelingen, vreemdelingenrecht
Vlaamse advocatuur organiseert noodbijstand voor asielzoekers
De Vlaamse advocatuur vreest dat de asielzoekers in de tijdelijke opvang, zoals tenten en hotels, niet de nodige juridische bijstand kunnen krijgen zoals in de asielcentra. De Orde van Vlaamse Balies mobiliseert daarom een aantal advocaten om noodbijstand te garanderen. Dat staat vandaag te lezen in een persbericht.
Door het tekort aan opvangplaatsen ziet Fedasil zich genoodzaakt mensen onder te brengen waar ze maar kunnen. De Orde van Vlaamse Balies maakt zich intussen zorgen over de wijze waarop deze mensen van hun recht op juridische bijstand kunnen genieten.
Rechten uitleggen
Normaal gezien worden nieuwe asielzoekers opgevangen in asielcentra waar sociaal assistenten voor hen klaarstaan en de aanstelling van een advocaat vragen als dat nodig is.
Om er voor te zorgen dat iedereen toch de juridische bijstand krijgt waar hij of zij recht op heeft, voorziet de Orde, in samenwerking met de bureaus voor de juridische bijstand van de lokale Vlaamse balies, in een tijdelijk systeem van "noodbijstand". Een permanentie van advocaten zal ter plaatse gaan en de asielzoekers uitleggen wat hun rechten zijn. Indien nodig kunnen deze advocaten er ook voor zorgen dat deze mensen werkelijk bijstand krijgen van een advocaat bij hun procedure. (belga/ka)
Bron: http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/928960/2009/07/14/Vlaamse-advocatuur-organiseert-noodbijstand-voor-asielzoekers.dhtml
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:36 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: advocaat, advocaten, asielzoekers, balie, België, migratierecht, orde, rechtsbijstand, vlaams, vreemdelingenrecht
Nog steeds herrie over het wel of niet gescheiden inburgeren
De VVD wil dat er geen subsidie meer komt voor gescheiden inburgeringsklasje. En de voetbalvereniging raakt nu ook zijn subsidie kwijt omdat het alleen jongens zijn? Ik vind het kwalijk als mensen zich op het standpunt stellen a la Taliban dat je niet samen in een klasje mag zitten maar zie niet in waarom er zo krampachtig moet worden gedaan. Als je dan een damesgroepje hebt zet je er na een paar keer gewoon een leraar voor (en doe dan maar gelijk een homo) en bij de heren precies eender. Maar liever dat een ieder weet hoe het volgens de Nederlandse cultuur hier gaat en zelf bepaalde dingen niet doet dan dat iemand thuisblijft en er helemaal niets van weet. En misschien moet je dan de laatste les gemengd maken onder het thema: "Met elkaar omgaan in een Westerse samenleving".
Vandaag in de krant:
'Gescheiden inburgeren logisch gevolg van soort les'
DEN HAAG - Gescheiden inburgering is geen politieke keuze, maar een praktische uitkomst van de cursussen die worden aangeboden. „Gemeenten bieden maatwerk aan inburgeraars, bijvoorbeeld trajecten gericht op opvoedingsondersteuning. In de praktijk zijn het vooral vrouwen die deelnemen aan een dergelijke cursus, terwijl deze wel openstaat voor mannen”, aldus de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vrijdag.
De VNG reageert daarmee op een brief van minister Eberhard van der Laan (Integratie) aan 43 gemeenten, met het verzoek om vanaf 1 januari 2010 geen nieuwe gescheiden inburgeringscursussen aan te bieden.
Eerder deze week ontstond rumoer rondom het feit dat vrouwen en mannen apart van elkaar inburgeringscursussen volgen.
Bron: http://www.telegraaf.nl/binnenland/4425055/___Gescheiden_inburgeren_logisch___.html
VVD: Stop subsidie bij gescheiden inburgering
Van onze parlementaire redactie
Den Haag - Minister Van der Laan (Integratie) wil nu geen sancties opleggen aan gemeenten als Utrecht en Nijmegen die volharden in het subsidiëren van gescheiden inburgeringklassen.
De PvdA-bewindsman vroeg Utrecht gisteren opnieuw om vanaf 1 januari geen aparte cursussen voor mannen en vrouwen te beginnen. Maar de Utrechtse wethouder Spit weigerde gisteren wederom en kan met de gescheiden inburgering doorgaan. Dat bleek gisteren na een telefonisch gesprek tussen Van der Laan en zijn partijgenoot Spit. Eerder uitte de minister zich in felle bewoordingen over inburgeren van mannen en vrouwen in aparte klassen.
Stoppen met subsidie aan de gemeenten lijkt nog het enige middel dat Van der Laan heeft om de onwenselijke gescheiden klasjes te stoppen, oordeelt VVD-Kamerlid De Krom.
De minister stuurt Utrecht, Nijmegen en 41 andere gemeenten die volharden deze week een brief, waarin hij nogmaals dringend vraagt snel met de gescheiden klasjes te stoppen. In Utrecht zit 5 procent van de 32.000 inburgeraars in de gescheiden klasjes, in Nijmegen 10 procent.
Overtuigen
"Ik wacht zijn brief af, ondertussen gaan we door met onze pragmatische aanpak", reageerde wethouder Spit gisteren. "Ik heb geprobeerd de minister te overtuigen. We zullen zien of dat is gelukt." Minister Van der Laan probeerde vergeefs hetzelfde. "Het is nog eens uitgelegd dat niemand de toegang tot een cursus geweigerd mag worden", aldus zijn woordvoerster. Tot een verschuiving van standpunten leidde dat niet.
Met hun volharding negeren de wethouders ook de Tweede Kamer. Die eist dat bij de inburgering duidelijk wordt gemaakt dat mannen en vrouwen in Nederland gelijkwaardig zijn. Gescheiden cursusgroepen zijn dan uit den boze, vindt een Kamermeerderheid.
"De PvdA is rond inburgering nu toch weer tot op het bot verdeeld", zegt VVD-Kamerlid De Krom geërgerd over de strijd tussen minister Van der Laan en zijn partijgenoot in Utrecht. "De multicultulti's lijken het in de PvdA van Van der Laan te winnen, die toch heel realistisch werkt. Hij wordt nu gewoon teruggefloten. Die partij slaagt er maar niet in om te kiezen: meebuigen met alle culturen of de kernwaarden van Nederland vooropstellen en die uitdragen tijdens de inburgering. Een hopeloze club", oordeelt hij.
Bron: http://www.telegraaf.nl/binnenland/4420474/__VVD__Stop_subsidie_bij_gescheiden_inburgering__.html?p=37,1
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:18 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: allochtonen, allochtoon, inburgeren, inburgering, van der laan, VVD
Wirtschaftskrise trifft Migranten stärker
Bern - Ausländische Arbeitnehmer leiden besonders stark unter den Folgen der Wirtschaftskrise. Oft seien sie die ersten, die entlassen würden, kritisiert der Schweizerische Gewerkschaftsbund (SGB). Zudem hätten sie es besonders schwer, eine neue Stelle zu finden. (ht/sda)
Migrantinnen und Migranten seien von der Wirtschaftskrise früher und stärker betroffen, sagte Vania Alleva, Vizepräsidentin des SGB, an der Pressekonferenz in Bern.
Bei ihnen betrage die Arbeitslosenquote aktuell 6,6 Prozent, während Schweizer nur mit 2,6 Prozent von der Arbeitslosigkeit betroffen seien.
Dies erkläre sich einerseits dadurch, dass jene Branchen, die besonders vom Konjunkturverlauf abhingen, hohe Ausländeranteile aufweisen.
Andererseits verfügten ausländische Arbeitskräfte tendenziell über ein tieferes Bildungsniveau, was das Risiko der Arbeitslosigkeit zusätzlich erhöhe.
Anonymisierte Bewerbung gefordert
Zusätzlich kommt im Arbeitsmarkt aus Sicht des SGB aber auch Diskriminierung vor. Um sie bei der Stellen- oder Lehrstellensuche zu beseitigen, fordert der SGB die Einführung der anonymisierten Bewerbung in der öffentlichen Verwaltung und in grossen Unternehmen.
Der Verband schlägt zudem vor, das Diplomanerkennungssystem zu überprüfen. Bei der gegenseitigen Anerkennung von Diplomen aus EU- und Drittstaaten bestünden erhebliche Praxisprobleme, was den Zugang zu Beruflicher Weiterbildung erschwere.
Das strenge Diplomanerkennungssystem der Schweiz führe weiter dazu, dass «ein irakischer Hochbauzeichner als ungelernte Hilfskraft im Restaurant arbeitet oder eine peruanische Betriebswirtschafterin Büros reinigt», schreibt der SGB in der Pressemitteilung.
Auch jene Ausländer, die eine Stelle haben, werden laut SGB diskriminiert. Dies zeige sich insbesondere an einer ungleichen Lohnverteilung.
Bron: http://www.news.ch/Wirtschaftskrise+trifft+Migranten+staerker/396671/detail.htm
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:12 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: kredietcrisis, migranten, Wirtschaftskrise
Vacature voor jurist met belangstelling voor mensenrechten op de ambassade in Zagreb
Beleidsmedewerker Justitie en Binnenlandse Zaken op Ambassade Zagreb
Ministerie van Buitenlandse Zaken (Kroatië) .
Functieomschrijving
Je levert bijdragen aan de diverse werkterreinen van onze ambassade, zowel in de beleidsvorming als de -uitvoering. Binnen ons ambassadeteam ben je de eerstverantwoordelijke voor het volgen van en rapporteren over het Kroatisch JBZ-beleid, alsmede voor het initiëren, begeleiden en monitoren van samenwerkingsmogelijkheden tussen Nederland en Kroatië op deze beleidsterreinen.
Daarbij ben je verantwoordelijk voor een aantal resultaatgebieden. Je rapporteert aan het ministerie van Buitenlandse Zaken en soms vakdepartementen en andere overheidsinstellingen, over JBZ-ontwikkelingen en -hervormingen in Kroatië. Dat betreft onderwerpen als rechterlijke macht, politie, corruptiebestrijding, minderheden en vluchtelingen, oorlogsmisdaadzaken en andere postconflict onderwerpen. Ook lever je relevante informatie op bovenstaande terreinen voor Nederlandse posities in het EU-toetredingsproces van Kroatië. Daarnaast initieer, beheer en begeleid je JBZ-samenwerkingsprojecten die het Kroatische toetredingsproces ondersteunen en de Nederlandse prioriteiten onderstrepen. Hieronder valt ook de administratie van projecten die de ambassade financiert uit de mensenrechtenfaciliteit, waaronder het schrijven van beoordelingsmemoranda, de opstelling van contracten en de beoordeling van financiële en inhoudelijke rapportages. Verder ben je verantwoordelijk voor het actief onderhouden van ons netwerk van relevante Kroatische, Nederlandse en internationale personen en instellingen op het gebied van JBZ, mensenrechten en ‘rule of law’. Aan dit netwerk ontleen je de informatie om de eerder genoemde resultaten te kunnen realiseren.
Tevens draai je mee in enkele algemene ambassadewerkzaamheden. Je ressorteert direct onder de plaatsvervangend ‘chef de poste’. .
Functie-eisen
Je hebt een juridische academische opleiding op een relevant beleidsterrein, minimaal een jaar goed passende werkervaring, alsook minstens een jaar relevante internationale (werk)ervaring. Verder heb je ervaring met (inter)nationale onderhandelingsprocessen en beleidsvorming. EU-ervaring en ervaring in de regio Zuidoost-Europa zijn, evenals ervaring met projectbeheer een voordeel.
Je hebt een analytisch denkvermogen en bent schriftelijk uitdrukkingsvaardig. Naast uitstekende kennis van de Nederlandse en Engelse taal in woord en geschrift, heb je de bereidheid om het Kroatisch aan te leren. Je toont initiatief, bent zeer flexibel en je kunt goed samenwerken, netwerken en onderhandelen. Ook ben je bereid zo nodig buiten de normale kantooruren te werken. .
Arbeidsvoorwaarden
Salarisniveau schaal 11
Minimum salaris: € 2850 bruto per maand
Maximum salaris: € 4380 bruto per maand
(Het genoemde salaris is gebaseerd op een volledige werkweek.)
Contractduur 24 maanden
Einddatum functie: 01/07/2011
.
Overige arbeidsvoorwaarden
De contractduur bedraagt 24 maanden tot zomer 2011.
Naast het salaris en vakantiegeld kun je rekenen op een eindejaarsuitkering. Het Rijk hecht sterk aan persoonlijke groei en loopbaanontwikkeling en biedt daarvoor tal van mogelijkheden. Tot de secundaire arbeidsvoorwaarden behoren onder meer 75% betaald ouderschapsverlof (onder voorwaarden), studiefaciliteiten, een extra verlofregeling voor ouderen en een volledige vergoeding woon-werkverkeer (jaarkaart openbaar vervoer tweede klas). Bij het Rijk heb je een aantal individuele keuzemogelijkheden bij het samenstellen van je arbeidsvoorwaardenpakket. .
De organisatie
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) is de spil in de communicatie tussen de Nederlandse regering en de regeringen van andere landen én internationale organisaties. Het ministerie coördineert het buitenlands beleid van de Nederlandse regering en voert dit uit. Naast het departement in Den Haag opereert het ministerie vanuit meer dan 150 ambassades, permanente vertegenwoordigingen en consulaten-generaal, verspreid over de hele wereld. .
Ambassade Zagreb
Het EU-toetredingsproces van Kroatië is het belangrijkste kader voor de activiteiten van de Nederlandse Ambassade in Zagreb. Binnen dit proces liggen aandachtspunten voor Nederland op het terrein van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ), de samenwerking met het ICTY (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia), herstructurering van het openbaar bestuur en een aantal postconflict dossiers. Onze ambassade in Zagreb telt zeven door Nederland uitgezonden en twaalf lokale medewerkers. .
Bijzonderheden
De kandidaat dient te beschikken over persoonlijkheid en expertise die hem/haar een gesprekspartner op niveau maakt. De politieke antenne moet goed ontwikkeld zijn, en de kandidaat dient in staat te zijn om algemene (politieke) informatie te vertalen naar concrete activiteiten en vice versa. Evenwichtigheid is een belangrijke voorwaarde alsmede initiatief en zelfstandig kunnen opereren. De ideale kandidaat heeft bewezen in een buitenlandse omgeving te kunnen opereren. Kennis van de regio strekt tot aanbeveling. Verder is het bezit van de Nederlandse nationaliteit een vereiste.
Naast een of meerdere sollicitatiegesprekken maken een schrijftest, talentest en assessment deel uit van de selectieprocedure.
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:08 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: ambassade, jurist, Kroatië, mensenrechten, vacature, vacatures, Zagreb
15 juli 2009
Er in is bijna onmogelijk maar daarna zit je gebakken
Een Marokkaanse vriendin met academische titel is getrouwd met een Nederlander. Inmiddels hebben ze hun derde negatieve antwoord op een mvv-advies binnen. Sloeg het eerste nog echt wel ergens op, bij procedure 2 en 3 was de Visadienst/IND gewoon zijn werk niet aan het doen. Ambtelijk dossier niet gelezen en het beroep op artikel 8 EVRM niet meegenomen (geen beletsel gebleken om samen in het buitenland te gaan wonen terwijl je je beroep hebt op je familieleven met je kind uit een eerdere relatie). Laatste afwijzing: "U kunt wel een mvv-familiebezoek aanvragen maar dan gaat u vast niet terug want u vroeg eerder een mvv-gezinsvorming aan".
Van een Iraakse vriendin die hier als asielzoekster in Nederland woont hoor ik dat de Gemeente Leiden voor Sinterklaas speelt door nieuwe statushoudens naast het budget wat Sociale Zaken uitleent voor de inrichting van het nieuwe huis ook een bedrag van 1000 euro cadeau te doen voor de aanschaf van een pc. Hallo dat is dan wel een hele dure en krijgen wij er dan ook één! Mijn hele omgeving heeft een tweedehandsje of spaart jaren met een oud barrel voor een nieuwe.
Niet is duidelijk dat al de verdwenen Generaal Pardonners ook uit Nederland zijn vertrokken. Vervolgens lees je in de kranten dat gemeentes gewoon doorgaan met het huisvesten van illegalen of wonen illegale echtgenotes gewoon ongestoord bij je in de buurt.
Het lijkt er dus op dat alleen de grensbewaking van buiten naar binnen streng is en dat je daarna vrij spel hebt als je maar niet voor een strafbaar feit wordt opgepakt. Dat is dus mensensmokkel lonend maken en erg zielig voor de mensen die netjes vanuit het buitenland een aanvraag doen om bij hun man te komen wonen.
Nederland heeft net als een olifant slagtanden die wel afschrikken maar niet de ingang bewaken.
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:51 PM
1 reacties
Links naar dit bericht
Labels: computer, Leiden, mvv, mvv-aanvraag, pardon, statushouders, vreemdelingenrecht
Weinig afgewezen Pardonners aantoonbaar vertrokken
Albayrak heeft de kamer de volgende brief over de afwikkeling van de Pardonregeling gestuurd (tijdens het zomerreces - erg handige zet want dan krijg je er weinig gesteggel over)
5607100 stand van zaken uitvoering afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet
Kamerstuk | 13-07-2009 | pdf-document | 0.11 MB
Op 1 juni jl. waren 24.270 personen door de gemeenten passend gehuisvest en voor de (deel)taakstelling huisvesting gepardonneerde statushouders geregistreerd. In totaal zijn er via de gemeenten een kleine 7.000 dossiers van personen voor ...
Lees verder hier
In de krant hierover het volgende bericht:
Staatsecretaris Albayrak meldde de Tweede Kamer dat 27.700 mensen een verblijfsvergunning hebben gekregen. De pardonregeling zou 'soepel' verlopen en 'in haar eindfase' verkeren, zo staat in Trouw.
Beroep
De staatssecretaris meldt in haar brief aan de Kamer niets over de nieuwe procedures bij de rechtbanken. Asielzoekers die hun zaak verliezen, kunnen daarna in hoger beroep bij de Raad van State.
Moeite
Asielzoekers die definitief niet in Nederland mogen blijven, worden aangemeld bij de Dienst Terugkeer en Vertrek. Die dienst blijkt echter grote moeite te hebben met het uitzetten, aldus de krant.
Spoorloos
Van de 4000 afgewezen asielzoekers hebben er 560 aantoonbaar het land verlaten. Ruim 2700 vreemdelingen zijn spoorloos.
Bron: http://www.telegraaf.nl/binnenland/4406383/__Duizenden_asielzoekers_spoorloos__.html?p=11,2
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:38 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Albayrak, asielzoekers, Generaal pardon, vreemdelingenrecht
14 juli 2009
Asielzoeker uit Kirkuk (uitspraak)
LJN: BJ2447,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Haarlem , AWB 09 / 21508 en 09 / 21506
Datum uitspraak: 30-06-2009
Datum publicatie: 14-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Asiel/ Vreemdelingenwet Centraal-Irak/ artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn/ binnenlands gewapend conflict/ UNHCR Eligibility guidelines / motivering De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet door verweerder in twijfel getrokken is dat verzoeker afkomstig is uit Kirkuk, zodat daarvan wordt uitgegaan, en dat Kirkuk gerekend wordt tot Centraal-Irak. Verweerders gemachtigde heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ervan moet worden uitgegaan dat er ook in Kirkuk sprake is van een intern gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Volgens de gemachtigde heeft verzoeker echter niet aangetoond dat er in Kirkuk dan ook een uitzonderlijke situatie heerst in de zin van het arrest van het Hof van Justitie EG van 17 februari 2009 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 mei 2009 (200702174/2/V2).Verzoeker beroept zich hiertegenover op de UNHCR Eligibility guidelines van april 2009, waarin onomwonden wordt gesteld dat alle asielzoekers uit Kirkuk internationale bescherming behoeven. Ook het ambtsbericht van mei 2009 vermeldt: "In de vier provincies onder bestuur van de federale regering in Bagdad die grenzen aan de Koerdische regio was de veiligheidssituatie gedurende de verslagperiode zeer onstabiel. Er vonden geregeld ernstige geweldsincidenten plaats, waaronder zware bomaanslagen in Mosul, Tall’Afar, Kirkuk, Dujail, Baladruz, Baquba en Jalawla. In het hele gebied hadden burgers te maken met bomaanslagen, schietpartijen, moordaanslagen, ontvoeringen, bedreigingen en intimidatie". Daargelaten de vraag of Turkmenen gezien moeten worden als een bijzonder kwetsbare groep, geeft de informatie waarop verzoeker zich beroept en waaruit blijkt dat alle asielzoekers uit Kirkuk internationale bescherming behoeven, mede in het licht van het ambtsbericht, een indicatie dat deze categorie na terugkeer een reëel risico zou kunnen lopen als bedoeld in artikel 3 EVRM. In dat geval staat verzoeker wellicht ook, naarmate de situatie in Kirkuk ernstiger zou blijken te zijn, voor een geringere bewijslast voor zijn persoonlijke omstandigheden. Verweerder heeft dan ook in het licht van deze Eligibility guidelines en het ambtsbericht niet kunnen volstaan met de enkele overweging dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in Kirkuk, maar had nader dienen te motiveren waarom van een zodanige situatie volgens verweerder geen sprake is en waarom verzoeker in die zin niet onder de b-grond van art 29, eerste lid, Vw zou vallen. Nu die nadere motivering ontbreekt, is het bestreden besluit op dit punt niet inzichtelijk. Beroep gegrond.
Zie rechtspraak.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:41 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 09 / 21506, 09 / 21508, asiel, binnenlands gewapend conflict, Definitierichtlijn, Irak, Kirkuk, vreemdelingenrecht
Uitzetten naar Griekenland (uitspraak)
LJN: BJ2413, Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Zwolle , 09/5557
Datum uitspraak: 13-07-2009
Datum publicatie: 13-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Dublin / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel
De rechtbank ziet in de interim measures van 5, 8 en 9 juni 2009 van de president van het EHRM met de daarbij behorende algemene vragen alsmede in de uitspraak van het EHRM in de zaak van S.D. tegen Griekenland aanleiding voor het oordeel dat er ten minste grond voor twijfel is omtrent het antwoord op de vraag of aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden vastgehouden. Verweerder heeft dan ook niet zonder nader onderzoek kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar dit beginsel.
Zie www.rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:38 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Dublin, Griekenland, interim measures, interstatelijk vertrouwensbeginsel, uitzetten, vreemdelingenrecht
Visum afgewezen wegens vestigingsgevaar en vervolgens niet in bezwaar gehoord: IND verliest (uitspraak)
LJN: BJ2316, Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Haarlem , AWB 08 / 33802
Datum uitspraak: 16-06-2009
Datum publicatie: 13-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Visum kort verblijf
Bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond. In de, zeer korte, beslissing in primo is door verweerder enkel als reden van weigering van het gevraagde visum vermeld dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, Schengengrenscode gestelde voorwaarde, omdat niet voldoende is komen vast te staan dat eiseres tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst. De beslissing behelst verder geen enkele motivering voor de toepassing van deze afwijzingsgrond. Reeds om die reden kan van hetgeen daartegen in bezwaar is aangevoerd niet worden gezegd dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Daarbij komt dat verweerder in de bezwaarfase, al dan niet naar aanleiding van het bezwaarschrift, ter beoordeling van de aanvraag, aan referent op 24 juli 2008 een vragenlijst heeft toegestuurd waarbij is verzocht om een garantverklaring alsmede een afschrift van de arbeidsovereenkomst en van een recente loonstrook. Verweerder heeft er daarmee blijk van gegeven dat hijzelf in bezwaar het onderzoek naar de aanvraag van eiseres (nog) niet volledig achtte. De rechtbank is van oordeel dat in het geval een procedure kennelijk zo is ingericht dat door verweerder eerst na bezwaar de zaak inhoudelijk wordt onderzocht, verweerder zichzelf de pas afsnijdt om dat bezwaarschrift vervolgens nog als kennelijk ongegrond aan te merken, behoudens zeer bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en op die grond ten onrechte referent niet in de gelegenheid heeft gesteld om op het bezwaar te worden gehoord. Bij een hoorzitting kan dan aandacht worden besteed aan de in de bezwaarfase aangevoerde omstandigheden in Nigeria, zoals de studie van eiseres, de werkzaamheden van referent en het ter zitting gestelde grondbezit van beiden in Nigeria, waarna verweerder de omstandigheden kan bezien en wegen in het licht van de wettelijke voorschriften. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb en artikel 7:2 Awb.
Zie rechtspraak.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:35 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 08 / 33802, bezwaar, horen, land van herkomst, terugkeren, tijdig, vestigingsgevaar, visum
Asiel vanwege gevaar voor besnijdenis / verweerders beleid afgeschoten (uitspraak)
LJN: BJ2325, Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Haarlem , AWB 08 / 38285
Datum uitspraak: 09-07-2009
Datum publicatie: 13-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Asiel / Egypte / genitale verminking
De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel, vanwege het feit dat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft. Zoals door deze rechtbank en nevenzittingsplaats eerder is overwogen bij uitspraak van 7 september 2004 (LJN: AR5501) is de ratio van verweerders beleid terzake van genitale verminking dat met name jonge kinderen hieraan niet worden blootgesteld en dat daartegen bescherming wordt geboden. De ouder van het kind krijgt vervolgens eveneens bescherming. De uitwerking van verweerders beleid zou zijn dat verweerder eiseres een verblijfsvergunning zou onthouden omdat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft, terwijl zij deze vergunning mogelijk wel zou krijgen indien haar dochter de Egyptische nationaliteit zou hebben. Verweerder heeft geen nadere motivering gegeven voor dit onderscheid naar nationaliteit. Verweerders standpunt terzake is dan ook niet gebaseerd op een redelijk beleid. Gelet daarop kan het door verweerder gestelde vereiste, dat de aanvraag mede namens de dochter moet zijn ingediend, evenmin als een redelijk vereiste worden aangemerkt. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder, gelet op de cijfers die door eiseres naar voren zijn gebracht, onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Egyptische autoriteiten meisjes daadwerkelijk kunnen beschermen tegen vrouwenbesnijdenis. Dit geldt eens te meer nu verweerder zelf heeft geconstateerd dat genitale verminking in Egypte thans nog een wijdverbreid probleem is. Nu voorts uit het Home Office rapport van 11 maart 2008 volgt dat ondanks overheidsinspanningen de praktijk van genitale verminking voortduurt, aangezien zij sterk cultureel is bepaald, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden en de effectiviteit van het inroepen van bescherming bij de Egyptische autoriteiten. De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.
www.rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:32 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 08 / 38285, asiel, besnijdenis, genitiale verminking, IND, vreemdelingenrecht
Zijn we beesten en moeten mensen daarom gescheiden inburgeren?
AMSTERDAM - De Tweede Kamer wil in het kader van verdergaande integratie dat Utrecht een gescheiden informatieloket in de lokale Marokkaanse moskee sluit. Volgens het ministerie Wonen, Wijken en Integratie komt de omstreden gescheiden inburgering maar bij slechts 5 procent van alle gemeenten voor.
Van der Laan was zelf aanvankelijk ook voorstander van het gescheiden inburgeren. Toen hij zag dat apart integreren door mannen en vrouwen de steun voor inburgering in het land ondermijnt, veranderde hij begin juli van mening.
Sindsdien heeft de minister de betrokken gemeenten dringend opgeroepen alleen nog met gemengde cursussen verder te gaan. "Vooral ook om steun voor inburgering in het land te houden", laat hij weten. Utrecht heeft al laten weten de oproep naast zich neer te leggen. De meeste cursisten hoeven niet verplicht in te burgeren omdat ze al langer in ons land wonen.
'Stop apart inburgeren'
AMSTERDAM - PvdA-minister Van der Laan (Integratie) eist dat de Utrechtse wethouder Spit stopt met gescheiden inburgering van mannen en vrouwen. De PvdA-wethouder negeert de 'dringende' oproep van haar partijgenoot.Van der Laan wil dat alle gemeenten vanaf volgend jaar alleen nog gemengde cursussen aanbieden. Gescheiden groepen leveren echter meer deelnemers op, stelt de Utrechtse wethouder Spit. Van der Laan wil haar deze week in een gesprek overtuigen met de aparte klassen voor mannen en vrouwen te stoppen.
De inburgeraars, aldus de minister, moeten vanaf het begin, ook thuis, merken dat man en vrouw in Nederland als gelijkwaardig worden gezien.
Met een grote Kamermeerderheid is Van der Laan sinds kort tegen de aparte lesgroepen voor mannen en vrouwen. Zwemgroepen alleen voor vrouwen bijvoorbeeld zouden de steun onder de Nederlandse bevolking voor het betalen van de inburgeringcursussen ondermijnen. De bewindsman wil separate inburgeringcursussen vanaf 2010 niet meer laten subsidiëren.
Bron: http://www.telegraaf.nl/binnenland/4392902/___Stop_apart_inburgeren___.html?p=8,1
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
11:45 AM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: gescheiden, inburgeren, inburgering, inburgeringscursus, inburgeringsles, Smit, van der laan
13 juli 2009
Oproep: vakantieadresje voor Iraakse weduwe met 3 kinderen
Vorig jaar is een oud cliënt van mij uit Irak, die hier in Nederland als erkende vluchteling met een A-status woonde, overleden aan buikkanker. Zijn weduwe van 37 en 3 dochters van 11 en 6 (tweeling) bleven alleen achter. Mevrouw is net klaar met haar inburgeringscursus en heeft nu nog een uitkering. Nou is de Sociale Dienst zo nu en dan wat mij betreft veel te veel Sinterklaas maar dat je als kinderen niet snapt dat al de buren op vakantie gaan en jij niet kan/mag is een feit. Daarom bij deze de volgende oproep:
- Heb je een caravan/zomerhuisje/appartement op een goed met openbaar vervoer bereikbare plaats?
- Ligt dat ivm de reiskosten niet te ver van Zuid-Holland of kan je ook chauffeur spelen?
- Kan je die voor een weekend of een midweek uitlenen?
Mail dan naar webmaster@vreemdelingenrecht.com
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:48 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: appartement, caravan, vluchteling, vreemdelingenrecht, zomerhuisje
10 juli 2009
Marokko in "Future Express"
Serie documentaires waarin de kijker wordt meegenomen op een avontuurlijke reis per trein door 26 landen en over zes continenten. Inspirerende, ontroerende en intrigerende verhalen van treinreizigers over de hele wereld. Afl.: Marokko: liefde en stiekeme seks. De Future Express rijdt van Marrakech naar Tanger. In Marokko wordt een meisje zonder hoofddoek nog vaak als slecht gezien. Volgens Youssra dragen meisjes de hoofddoek om niet op te vallen en om te doen waar ze zin in hebben. Ze zegt dat negentig procent van hen aan seks voor het huwelijk doet.
Bekijk de aflevering door op de link te klikken: http://player.omroep.nl/?aflID=9774716
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
4:12 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Future express, Marokkaans, Marokko
Bewaring Somaliërs mag wel om te trachten identiteit en Dublinclaim vast te stellen (uitspraak)
LJN: BJ2224, Rechtbank 's-Gravenhage , Awb 09/15667
Datum uitspraak: 15-05-2009
Datum publicatie: 10-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Bewaring; Somalie; vaststelling identiteit gefrusteerd; manipulatie vingertoppen. In de brief van 3 april 2009 van de Staatssecretaris van Justitie (kenmerk 5595028/09) staat onder meer: "In aansluiting hierop wordt onderzocht of Somaliërs en andere asielzoekers van wie de vingerafdrukken – eventueel ook na verloop van tijd – niet kunnen worden genomen, in bewaring kunnen worden gesteld nadat het voornemen tot afwijzen van de asielaanvraag is uitgebracht. Bewaring is mogelijk indien er zicht is op uitzettting. Aangezien in deze gevallen identificatie wordt gefrustreerd en bovendien vaak sprake blijkt te zijn van een eerder verblijf in een ander land dat partij is bij de Dublin II-Verordening, kan grond bestaan voor het opleggen van bewaring. Gedurende deze bewaring zal worden geprobeerd alsnog de identiteit vast te stellen.” Uitgaande van de ervaringsgegevens als neergelegd in genoemde brief,, in samenhang met het op de situatie van eiser toegespitste proces-verbaal van 28 april 2009, heeft verweerder er vanuit mogen gaan dat eiser zijn vingertoppen zodanig bewerkt heeft, dat het nemen van afdrukken daarvan niet mogelijk was. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan eiser om nader te onderbouwen dat hij niet met opzet zijn vingertoppen heeft bewerkt. Eiser had daartoe bijvoorbeeld een medische verklaring kunnen overleggen. Beroep ongegrond.
Www.rechtspraak.nl
Maar gezien de eerdere uitspraak van de ABRRvS zou die bewaring dus opgeheven moeten worden als er geen Dublinclaim mogelijk is omdat er zicht op uitzetting naar Somalië ontbreekt.
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:13 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Dublinclaim, Somalië, Somaliërs, vingertoppen, vreemdelingenbewaring, vreemdelingendetentie, vreemdelingenrecht, zicht op uitzetting
Voorzieningenrechter verbiedt uitzetting naar Bagdad van Noord-Irakees tot op zijn beroep is beslist (uitspraak)
LJN: BJ2015, Rechtbank 's-Gravenhage , 09/16829
Datum uitspraak: 15-06-2009
Datum publicatie: 09-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie: Uitzetting naar Bagdad van vreemdeling afkomstig uit Noord-Irak Verweerder heeft er in het bestreden besluit – ook thans – geen blijk van gegeven zich er van te hebben vergewist dat verzoekers verblijfsduur in Bagdad tot een minimum beperkt kan blijven en dat hij vervolgens op een voldoende veilige wijze naar Noord-Irak kan doorreizen. Verweerder heeft er ter zitting enkel op gewezen dat er inmiddels twintig uitzettingen hebben plaatsgevonden naar Noord-Irak, via Bagdad, en dat de autoriteiten van Centraal-Irak hebben medegedeeld dat deze vreemdelingen in Bagdad zijn toegelaten en dat doorreis heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft dit standpunt niet van een schriftelijke onderbouwing voorzien. Ook overigens kan aan vorenbedoelde mededeling niet die waarde worden gehecht die verweerder daaraan kennelijk gehecht wil zien, nu verweerder heeft bevestigd dat geen sprake is geweest van monitoring van deze vreemdelingen nadat zij naar Bagdad waren uitgezet. Het voorgaande klemt te meer nu verzoeker, ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij bij uitzetting naar Bagdad een veiligheidsrisico loopt, heeft verwezen naar een brief van Amnesty International aan verzoekers gemachtigde van 28 mei 2009. Deze brief vermeldt dat uitgeprocedeerde asielzoekers bij terugkeer in Bagdad door de Iraakse autoriteiten worden vastgehouden op het vliegveld in ieder geval ter vaststelling van hun nationaliteit en identiteit. Uitgeprocedeerde asielzoekers die niet in het bezit zijn van identiteitsdocumenten zullen naar verwachting in detentie verblijven totdat de autoriteiten voldoende informatie hebben omtrent de nationaliteit en identiteit van de betrokkene. Uit het bestreden besluit noch uit hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, is gebleken dat het voor verweerder slechts mogelijk is naar Bagdad uit te zetten. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het contact met de vertegenwoordigers van de autoriteiten van Centraal-Irak beter is dan met de vertegenwoordigers van de autoriteiten van de KRG-gebieden, waardoor uitzetting naar Noord-Irak moeizamer en bewerkelijker is dan uitzetting naar Bagdad. Hieruit kan echter geenszins worden afgeleid dat (directe) uitzetting naar Noord-Irak niet (meer) tot de mogelijkheden behoort. Vovo wordt toegewezen. Verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten naar Bagdad tot vier weken na bekendmaking van de uitspraak op beroep. .
Bron: rechtspraak.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
2:26 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 09/16829, Bagdad, BJ2015, Irakees, Iraki, Iraqi, Noord-Irak, uitzetten, uitzetting, vreemdelingenrecht
België niet langer in staat asielzoekers op te vangen
Fedasil, de overheidsdienst die verantwoordelijk is voor de opvang, ziet geen mogelijkheid meer om onderdak te vinden voor nieuwkomers. De dienst houdt de loketten gesloten en wijst geen plaatsen meer toe.
De directie van Fedasil is niet trots op dit besluit en spreekt van ’een gigantische nederlaag’. Ze onderstreept dat de dienst geen actie voert over de hoofden van de asielzoekers heen. De opvang zit gewoon overvol, er zijn geen plaatsen meer.
De laatste tijd plaatste de dienst de nieuwkomers dan maar in hotelkamers, maar dat vindt zij niet meer verantwoord. Een alternatief is de mensen geld geven om zelf opvang te regelen, maar daar wil de regering niets van weten.
Lees verder in Trouw hier.
Wat kan dit voor gevolgen hebben voor Dublinclaims op België?
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
2:14 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: asielzoekers, België, fedasil, opvang, vluchtelingen
Inhoudsopgave Update n0 27, 8 juli 2009, van Vluchtelingenwerk Nederland
▼ ABRvS, 1 juli 2009, over het begrip ‘uitzetting’ en 2
het zicht hierop bij Somaliërs
▼ Hof Amsterdam, 18 juni 2009: OM niet ontvankelijk bij straf- 3
vervolging asielzoeker na inreis met valse/vervalste documenten
▼ Vzr Groningen, 26 juni 2009: enkele vaststelling dat zich 4
geen 15c DRi-situatie in Somalië voordoet niet voldoende
▼ Wetsvoorstel wijziging Vreemdelingenwet ter ‘verbetering’ 5
van de asielprocedure
▼ Ontwikkelingen rond Dublin/Griekenland 7
▼ Notitie VluchtelingenWerk: analyse ambtsbericht Somalië 8
maart 2009
▼ Ambtsbericht, 3 juli 2009, over staatsburgerschapswetgeving 9
in Republiek Servië en in Montenegro
▼ Ambtsbericht, 30 juni 2009: veiligheidssituatie 10
Guinee is fragiel
▼ Brief staatssecretaris, 1 juli 2009: ambtsbericht over 11
Sri Lanka uitgesteld, geen nieuw beleid
▼ Signaleringen Landeninformatie 11
▼ Nieuw op VluchtWeb 12
▼ Naar het UPdate-archief
Gratis UPdate per e-mail?
Stuur een mail naar: update@vluchtelingenwerk.nl
U ontvangt de UPdate vervolgens elke woensdagmiddag.
Redactie:
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
2:04 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: asielzoekers, Dublin, Griekenland, Montenegro, Servië, Somaliërs, staatsburgerschapswetgeving, uitzetten, Update, verblijfsvergunning, Vluchtelingenwerk, vreemdelingenrecht
Maatregelen tegen fraude gezinshereniging
PVV-Kamerlid Sietse Fritsma had Albayrak vragen gesteld naar aanleiding van een fraudezaak rondom een administratiekantoor en enkele Turkse uitzendbureaus die medewerkers valse loonstrookjes verstrekten. Met die loonstrookjes konden zij bewijzen dat zij genoeg verdienden om familieleden naar Nederland te laten komen.
Volgens Albayrak heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in verband met de zaak zo'n zestig dossiers onderzocht. Negen medewerkers van de uitzendbureaus zijn inmiddels veroordeeld tot een werkstraf. De door de fraude verkregen verblijfsvergunningen worden mogelijk ingetrokken.
Na de zomer komt het kabinet met een nota over gezinshereniging. "Hierin zal aandacht zijn voor nadere maatregelen om fraude en misbruik tegen te gaan", belooft Albayrak.
Bron: http://www.depers.nl/binnenland/321174/Maatregelen-tegen-fraude-gezinshereniging.html
Dit is het officiële antwoord op de kamervragen door Albayrak http://www.justitie.nl/images/2009Z07394%20antwoorden%20kamervragen%20over%20het%20bericht%20dat%20fraude%20wordt%20gepleegd%20om%20gezinsmigratie%20mogelijk%20te%20maken_15538_tcm34-202755.pdf?cp=34&cs=580
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:51 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Albayrak, fraude, Fristma, gezinshereniging, verblijfsvergunning, vreemdelingenrecht
Vacature: Secretary-General International Commission of Jurists (ICJ)
http://www.reliefweb.int/rw/res.nsf/db900SID/OCHA-7TPH8F
International non-governmental organisation dedicated to the primacy, coherence and implementation of international law and principles that advance human rights.
Closing date: 07 Sep 2009
Location: Switzerland - Geneva
ORGANISATION
The is an international non-governmental organisation dedicated to the primacy, coherence and implementation of international law and principles that advance human rights. It is composed of eminent jurists from around the globe and has national sections and affiliated organisations in all continents. What distinguishes the ICJ is its impartial, objective and authoritative legal approach to the protection and promotion of human rights through the rule of law.
The ICJ seeks to recruit a Secretary-General to advance the core values of the organization through visionary leadership.
The successful candidate must be a jurist of high standing with a proven record in advancing human rights through the rule of law. The position requires significant experience in the management of a dynamic and growing organisation. The candidate will have a comprehensive knowledge of the developments and challenges in international human rights. The person must be an energetic and results oriented leader who demonstrates strategic thinking as well as sound judgment.
RESPONSIBILITIES
The Secretary-General will have the following responsibilities:
- Be in charge of and responsible for the work of the International Secretariat, including all questions relating to administration, finance and staff, and the development, direction and coordination of strategies to implement the policies of the Commission and the Executive Committee;
- Develop, direct and co-ordinate strategies and programmes to promote and protect human rights under the rule of law;
- Represent the ICJ to governments, intergovernmental organisations, the media and the broader human rights community; and
- Direct the effective and efficient operation of the International Secretariat.
QUALIFICATIONS:
The successful candidate will have:
Education & Experience
- Minimum of 20 years experience as a human rights lawyer, with a degree in law;
- Minimum of 10 years progressive experience working with inter-governmental human rights systems (United Nations and/or regional human rights system);
- Excellent applied knowledge of international law, international human rights law and international humanitarian law;
- Minimum of 10 years programme and staff management experience.
Other requirements
- Demonstrated commitment to human rights;
- Excellent political judgment and the proven ability to develop and carry out innovative advocacy strategies;
- Excellent verbal and written communication skills;
- Fluent in English and French or Spanish. Working knowledge of other United Nations languages highly desirable;
- At ease with finance, fundraising and outreach;
- Ability to undertake frequent international travels;
- Ability to work under pressure to deadlines, in a complex, dynamic and changing work environment, as part of a multi-cultural team, working internationally.
The ICJ is an equal opportunities employer.
How to apply
APPLICATIONS close on 7 September and should be addressed with your resume to:
Ref: Secretary General
By email: recruitment@icj.org
Or by post: International Commission of Jurists, P.O. Box 91, 1211 Geneva 8, Switzerland.
Please appreciate that only short-listed candidates will be contacted. We cannot answer phone enquiries, thank you for your understanding
Reference Code: RW_7TPH4F-26
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:38 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: human rights, International Commission of Jurists, mensenrechten, vacancy, vacature
07 juli 2009
COA praat met grote steden over opvang asielzoekers
Het COA heeft dat dinsdag laten weten in Tilburg, waar de gemeente een permanent asielzoekerscentrum wil bouwen in een nieuwbouwwijk.
Op korte termijn zoekt het COA nog 1250 opvangplekken. Tot eind 2010 loopt dat aantal op tot zesduizend. Nieuwe asielzoekerscentra zijn nodig vanwege een stijgend aantal vluchtelingen uit Somalië, Irak, Afghanistan en Iran en een dalend aantal asielzoekers dat verhuist naar gewone woningen.
Bron: http://www.telegraaf.nl/binnenland/4346276/__Overleg_over_opvang_asielzoekers__.html?p=25,1
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:30 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Afghanistan, asielzoekers, asielzoekerscentra, COA, Irak, Iran, opvang, Somalië
Buurvrouw zet toch woonbootje in Oud-Ade aan de Kagerplassen te koop (reclame)
KagerplassenCarla en Yiannos hebben toen ze nog niet zelf in Leiden aan het water woonden een recreatie woonboot gekocht in Oud-Ade bij de Kagerplassen (5 minuten van Leiden met de auto). De boot ligt afgemeerd in een zijwatertje. Je kan er lekker vissen, kanoën (zie http://www.kanoroutes.nl/nl-kagerplassen.htm), wandelen of in de Kager Plassen gaan zwemmen. De zwaan eet uit je hand uit het raam en de eendjes dobberen voorbij. In feite kampeer je op het water.
Carla kan er wat moeilijk afscheid van nemen maar eigenlijk is hij een beetje overtollig geworden.

De woonboot heeft een eet-slaapkamer met een zitje en slaapbanken. Een klein keukentje, een wc (inpandig maar je mag niet op het water meer lozen dus is er een buitenwc aangelegd maar eventueel zou je een chemisch toilet kunnen maken) en een veranda. Buitenzitten kan je verder op de steiger.
Deze woonboot ligt heel rustig aangemeerd op het erf van een boer. Je kan hem dus niet gebruiken voor verhuur want de boer stelt ook prijs op zijn privacy. Wil je wat meer onder de mensen dan kan je in een paar minuten naar twee campings lopen voor bijvoorbeeld een ijsje. Ook gaat daar de pont over de Kagerplassen naar Kaageiland waar leuke restaurantjes zijn. Met de auto ben je in een minuut of 10 in de Leidse binnenstad en in ongeveer 20 minuten kan je in Katwijk gaan pootjebaden op het strand.
Lees ook het artikel "Kagerplassen: Holland op z'n mooist" in de Telegraaf
Vraagprijs: 22.995, - euro
Bezichtigen kan alleen op afspraak met Carla (wens van de boer). Zij is bereikbaar op 06 – 55 87 46 82

Een beroep op artikel 3 EVRM kan ook bij een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in verband met een medische noodsituatie (uitspraak ABRRvS))
LJN: BJ1551, Raad van State , 200807551/1/V3
Datum uitspraak: 19-06-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Mvv-vereiste / medische noodsituatie / 3 EVRM / uitzondering op waterscheiding asiel-regulier
De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 18 februari 2008 op het standpunt gesteld dat wegens het onderscheid tussen toelating op reguliere gronden en toelating op asielgerelateerde gronden, het indienen van een asielaanvraag noodzakelijk is om met vrucht een beroep te kunnen doen op de bescherming van artikel 3 van het EVRM en dat in het kader van een reguliere procedure geen inhoudelijke toets aan dit artikel plaatsvindt. Daarbij heeft hij niet onderkend dat hij gehouden was voormeld artikel te betrekken in zijn beoordeling van de door de vreemdeling ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, nu zij zich daarop heeft beroepen in verband met het ontstaan van een medische noodsituatie, indien zij wegens het mvv vereiste naar het land van herkomst zal moeten terugkeren. De klacht van de vreemdeling is dan ook terecht voorgedragen, maar kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Uitspraak
200807551/1/V3
Datum uitspraak: 19 juni 2009
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 15 september 2008 in zaak nr. 07/27709 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 18 februari 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien een vreemdeling niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) beschikt die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: het mvv-vereiste).
Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt.
Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).
Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, dient voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 te worden beoordeeld of de desbetreffende vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen aanvraag om verlening van een mvv af te wachten. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling.
Volgens paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, kan ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrijstelling worden verleend van het mvv-vereiste indien de terugkeer van de vreemdeling in verband met de medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Onder medische noodsituatie wordt volgens paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 verstaan de situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder 'op korte termijn' wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden. Bij de beoordeling van zodanige vergunningaanvraag wordt volgens paragraaf B8/4.4 van de Vc 2000 de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland niet betrokken.
2.2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat de vreemdeling niet op de voet van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste en ook de hardheidsclausule niet van toepassing is. Door daaraan ten grondslag te leggen dat in het bestreden besluit wel is betrokken dat de vreemdeling in Marokko ouders heeft die haar kunnen helpen en ondersteunen, maar daarin niet is betrokken dat zij voor de noodzakelijke medische zorg is aangewezen op een medisch centrum in Rabat, en niet duidelijk is of deze overwegingen met elkaar verenigbaar zijn, heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat de reisafstand tussen het verblijfadres en de plaats waar medische behandeling beschikbaar is de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreft, hetgeen niet bij de beoordeling van de toelatingsvraag wordt betrokken. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat, nu in het advies van het Bureau Medische Advisering van 2 februari 2007 (hierna: het BMA-advies), aangevuld bij nota van 29 november 2007, is geconcludeerd dat zich bij het uitblijven van medische behandeling niet binnen drie maanden een acute medische noodsituatie zal voordoen, niet van belang is dat daarin ook staat vermeld dat de vreemdeling een ernstig gezondheidsrisico loopt, indien behandeling en controle niet in de huidige vorm wordt voortgezet, waarbij een duidelijke verkorting van haar levensverwachting bestaat. Omdat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel van tijdelijke aard is en niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die er op voorhand op wijzen dat het mvv-vereiste de vreemdeling noopt tot een verblijf in Marokko dat van een zodanig lange duur zal zijn dat zij dientengevolge in een medische noodsituatie zal geraken, heeft de rechtbank verder ten onrechte aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat in het geval van de vreemdeling, gelet op de taaltoets en andere thans nog niet in te schatten factoren, de duur van drie maanden waarbinnen de mvv procedure zou kunnen worden afgerond mogelijkerwijs niet als reëel kan worden aangemerkt, aldus de staatssecretaris.
2.2.1. Het BMA-advies vermeldt dat de vreemdeling borstkanker heeft gehad, dat haar linkerborst is verwijderd en dat zij vervolgens is bestraald en chemotherapie heeft gekregen. Thans krijgt zij een medicamenteuze hormonale behandeling, welke ten minste vijf jaar wordt gecontinueerd. De vreemdeling staat onder controle bij een chirurg, radiotherapeut en internist. Zij wordt driemaandelijks onderzocht om te zien of zich geen uitzaaiingen ontwikkelen. Deze controle wordt levenslang gecontinueerd. Behandeling is mogelijk in het Centre d'oncology Al Hazar te Rabat. Gelet op de huidige medische inzichten zal zich bij het uitblijven van de hiervoor vermelde behandeling waarschijnlijk niet binnen drie maanden een acute medische noodsituatie voordoen, maar indien behandeling en controle niet in de huidige vorm worden voortgezet loopt de vreemdeling een ernstig gezondheidsrisico, met kans op een duidelijke verkorting van haar levensverwachting, aldus het BMA-advies. Volgens dit advies kan de vreemdeling op basis van de huidige medische inzichten en gezien haar klachten in staat worden geacht te reizen met de gangbare vervoermiddelen en bestaan er geen aanwijzingen dat enige medische voorziening voor, tijdens of na de reis direct noodzakelijk is.
Bij nota van 29 november 2007 heeft de opsteller van het BMA advies desgevraagd te kennen gegeven dat in dit advies het woord 'waarschijnlijk' is gebezigd, omdat het theoretisch wel mogelijk is en nooit 100 procent is uit te sluiten dat bij het stopzetten van de behandeling binnen drie maanden een acute medische noodsituatie zal ontstaan. Normaal gesproken ligt het echter volstrekt niet in de lijn der verwachting en zullen de risico's bij het stoppen van de behandeling zich vooral voordoen op de langere termijn, aldus de nota.
2.2.2. Nu uit het BMA-advies en voormelde nota volgt dat de vreemdeling in staat is te reizen, dat in het land van herkomst behandelmogelijkheden beschikbaar zijn en dat het staken van de behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, heeft de staatssecretaris zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op het standpunt mogen stellen dat het beroep van de vreemdeling op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en op artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 niet kan slagen.
Door te overwegen dat niet duidelijk is of het door de staatssecretaris aan het besluit van 18 februari 2008 ten grondslag gelegde standpunt met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling bij haar ouders enerzijds en de omstandigheid dat medische zorg in Rabat beschikbaar is anderzijds met elkaar verenigbaar zijn, heeft de rechtbank niet onderkend dat in dit geval de feitelijke toegankelijkheid van medische zorg niet bij de beoordeling wordt betrokken. Ook de conclusie in het BMA-advies dat de vreemdeling bij stopzetting van de behandeling en controle in de huidige vorm een ernstig gezondheidsrisico loopt, met kans op een duidelijke verkorting van haar levensverwachting, kan daarbij niet worden betrokken, nu volgens dit advies medische behandeling in het land van herkomst beschikbaar is en het uitblijven van de behandeling niet binnen drie maanden tot een acute medische noodsituatie zal leiden. Verder mocht de staatssecretaris, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 november 2005 in zaak nr. 200503851/1, JV 2006/11) van belang achten dat de uit het mvv vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel van tijdelijke aard is. Van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan op voorhand vaststaat dat het mvv vereiste de vreemdeling noopt tot een verblijf in het land van herkomst dat van een zo lange duur zal zijn dat zij dientengevolge aldaar in een medische noodsituatie zal komen te verkeren is niet gebleken. De rechtbank heeft dit, door te overwegen dat niet met zekerheid vaststaat dat de termijn van drie maanden waarbinnen de mvv procedure zou kunnen worden afgerond ook voor de vreemdeling realistisch kan worden geacht, niet onderkend.
De grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van de vreemdeling, voor zover dit na het voorgaande nog bespreking behoeft, als volgt.
2.4. De vreemdeling heeft in beroep gesteld dat het BMA-advies geen antwoord geeft op de vraag of de behandeling die zij hier te lande krijgt ook in Marokko voor haar mogelijk en beschikbaar is. Daartoe betoogt zij dat de constatering in dit advies dat behandeling in Marokko mogelijk is, daartoe onvoldoende is.
2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 25 juli 2006 in zaak nr. 200601304/1, JV 2006/351), is een BMA advies een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de staatssecretaris bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.
2.4.2. Het BMA-advies, zoals weergegeven onder 2.2.1, is opgesteld op grond van de door de behandelend artsen van de vreemdeling overgelegde informatie betreffende haar gezondheidssituatie. Volgens dit advies is verder uit van de zijde van International SOS verkregen informatie gebleken dat de behandeling die de vreemdeling behoeft in Marokko aanwezig is. Hetgeen de vreemdeling heeft gesteld bevat geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA advies. De beroepsgrond faalt.
2.5. De verwijzing door de vreemdeling in het beroepschrift naar de brief van de behandelend arts dr. Donkervoort van 22 januari 2008 strekt kennelijk ten betoge dat het BMA-advies onjuist dan wel onvolledig is.
2.5.1. Aangezien in deze brief geen andere relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de gezondheidssituatie van de vreemdeling zijn vermeld dan dr. Donkervoort in zijn eerdere brieven, die in het BMA-advies zijn betrokken, naar voren heeft gebracht, bevat deze brief evenmin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. De beroepsgrond faalt.
2.6. Verder heeft de vreemdeling in beroep naar voren gebracht dat het een onmogelijke opgave is om aan te tonen dat de verzorging van haar kind tijdens haar afwezigheid niet door anderen kan geschieden en dat voor haar in Marokko geen opvang bestaat, zodat de staatssecretaris ten onrechte in het kader van haar beroep op de hardheidsclausule heeft tegengeworpen dat het aan haar is om dit aan te tonen.
2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 9 december 2003 in zaak nr. 200306704/1, JV 2004/63), is het aan de desbetreffende vreemdeling om aan het beroep op de hardheidsclausule individuele feiten en omstandigheden ten grondslag te leggen en deze aannemelijk te maken. Nu zij dit niet heeft gedaan en niet nader heeft onderbouwd waarom dit voor haar niet mogelijk was, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich in het besluit van 18 februari 2008 niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, voor zover thans van belang, voor de dochter van de vreemdeling hier te lande opvangmogelijkheden bestaan en dat de vreemdeling in Marokko bij haar ouders kan verblijven. De beroepsgrond faalt.
2.7. De vreemdeling heeft in beroep voorts betoogd dat de staatssecretaris in het besluit van 18 februari 2008 ten onrechte artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet bij de beoordeling van haar aanvraag heeft betrokken. Indien zij naar het land van herkomst wordt teruggestuurd, zal, gelet op haar medische toestand, sprake zijn van een onmenselijke en vernederende behandeling, aldus de vreemdeling.
2.7.1. Volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM; uitspraken van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70, 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103, en laatstelijk 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05, www.echr.coe.int/echr) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM.
2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200806018/1, www.raadvanstate.nl) zijn de uitzonderlijke met de medische toestand van de vreemdeling verband houdende omstandigheden die er volgens de hiervoor onder 2.7.1 vermelde jurisprudentie van het EHRM toe kunnen leiden dat uitzetting van die vreemdeling in strijd is met artikel 3 van het EVRM door hun aard nauw verbonden met hetgeen in paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 wordt verstaan onder medische noodsituatie en zal degene die verkeert in een situatie als bedoeld in genoemde jurisprudentie van het EHRM ook komen te verkeren in een medische noodsituatie als bedoeld in deze paragraaf. Gezien deze materiële overeenkomst staat de in het algemeen geldende scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd er niet aan in de weg om uitzonderlijke omstandigheden die de desbetreffende vreemdeling onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM heeft gesteld te betrekken bij de beoordeling of aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning regulier vanwege medische noodsituatie.
2.7.3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 18 februari 2008 op het standpunt gesteld dat wegens het onderscheid tussen toelating op reguliere gronden en toelating op asielgerelateerde gronden, het indienen van een asielaanvraag noodzakelijk is om met vrucht een beroep te kunnen doen op de bescherming van artikel 3 van het EVRM en dat in het kader van een reguliere procedure geen inhoudelijke toets aan dit artikel plaatsvindt. Daarbij heeft hij niet onderkend dat hij gehouden was voormeld artikel te betrekken in zijn beoordeling van de door de vreemdeling ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, nu zij zich daarop heeft beroepen in verband met het ontstaan van een medische noodsituatie, indien zij wegens het mvv vereiste naar het land van herkomst zal moeten terugkeren. De klacht van de vreemdeling is dan ook terecht voorgedragen, maar kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
2.7.4. Volgens de in 2.7.1 vermelde arresten kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 november 2005 in zaak nr. 200507278/1, JV 2005/477), kan van zulke uitzonderlijke omstandigheden slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.
2.7.5. De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in de medische situatie van de vreemdeling geen aanleiding wordt gezien om te concluderen dat het mvv-vereiste zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, omdat uit de nota van het BMA van 29 november 2007 blijkt dat het staken van de medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Bovendien behoeft een medische noodsituatie niet te ontstaan, omdat de medische behandelingen blijkens het BMA advies van 2 februari 2007 in Marokko verkrijgbaar zijn en de vreemdeling in staat wordt geacht te reizen. In 2.2.2 is overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 niet kan slagen. Omdat, zoals blijkt uit de in 2.7.2 genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009, de uitzonderlijke met de medische toestand van de vreemdeling verband houdende omstandigheden die er volgens de onder 2.7.1 vermelde jurisprudentie van het EHRM toe kunnen leiden dat uitzetting van die vreemdeling in strijd is met artikel 3 van het EVRM door hun aard nauw zijn verbonden met hetgeen in paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 wordt verstaan onder medische noodsituatie, ligt in dit geval in voormeld standpunt van de staatssecretaris besloten dat de ziekte waaraan de vreemdeling lijdt zich niet in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt.
Nu de vreemdeling niet met medische verklaringen of anderszins heeft aangetoond dat de ziekte waaraan zij lijdt zich wel in een zodanig stadium bevindt en dit evenmin blijkt uit het BMA advies, is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in vorengenoemde arresten van het EHRM. Het beroep van de vreemdeling op artikel 3 van het EVRM kan derhalve niet leiden tot het ermee beoogde doel.
2.8. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste een inbreuk vormt op haar recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de staatssecretaris in het bestreden besluit ten onrechte het door haar gestelde ter zake van dit artikel formeel heeft afgedaan. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven, dat de staatssecretaris reeds bekend is met de vreemdeling en haar echtgenoot, zodat de overheid met haar aanwezigheid hier te lande niet voor een voldongen feit wordt geplaatst, dat zij niet heeft verzocht om verlening van een verblijfsvergunning, doch enkel dat zij de behandeling van haar aanvraag in Nederland mag afwachten en dat geen garantie kan worden gegeven over de duur van de tijdelijke terugkeer naar Marokko.
2.8.1. De staatssecretaris heeft aan het besluit van 18 februari 2008 ten grondslag gelegd dat, voor zover thans van belang, de weigering om de vreemdeling van het mvv-vereiste vrij te stellen geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM betekent. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat veel gewicht wordt toegekend aan het belang van de Staat bij het handhaven van het mvv-vereiste, nu dit vereiste er toe strekt te waarborgen dat de overheid bij het onderzoek of de desbetreffende vreemdeling aan alle verblijfsvoorwaarden voldoet, niet reeds door diens aanwezigheid hier te lande en alle daaraan verbonden gevolgen, voor een voldongen feit wordt geplaatst. Verder heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling nimmer rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad, zodat de omstandigheid dat zij in Nederland gezinsleven heeft opgebouwd voor haar rekening en risico dient te komen. Voorts is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel slechts tijdelijk van aard is. Bovendien is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden waardoor het voor de vreemdeling niet mogelijk is om in verband met het mvv-vereiste tijdelijk terug te keren naar het land van herkomst, aldus de staatssecretaris.
Gelet op hetgeen door de vreemdeling in de beroepsgrond is aangevoerd, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen aanleiding gezien voor het standpunt dat sprake is van een met artikel 8 van het EVRM strijdige situatie op grond waarvan de vreemdeling van het mvv vereiste had moeten worden vrijgesteld. De beroepsgrond faalt.
2.9. Het door de vreemdeling tegen het besluit van 18 februari 2008 ingestelde beroep is ongegrond.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 15 september 2008 in zaak nr. 07/27709;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
Bron: rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:45 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 200807551/1/V3, 3 EVRM, medische noodsituatie, mvv, mvv-vereiste, verblijfsvergunning, vreemdelingenrecht
Problemen met het middelenvereiste bij gezinsvorming (goede uitleg in uitspraak Raad van State)
LJN: BJ1558, Raad van State , 200808088/1/V1
Datum uitspraak: 23-06-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Mvv / middelenvereiste / duurzaam / bijstandsnorm
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan voor haar oordeel geen steun worden gevonden in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2007. In die uitspraak is overwogen dat de hoogte van het verworven inkomen niet bepalend is voor de duurzaamheid ervan, zodat een combinatie van gelijktijdig uit verschillende bronnen genoten inkomsten, mits die ieder voor zich duurzaam zijn, kan gelden als duurzame en voldoende middelen van bestaan. Een combinatie van gelijktijdig uit verschillende bronnen genoten inkomsten is thans niet aan de orde. Ter zake van de toepassing van de artikelen 3.74 en 3.75 van het Vb 2000 is in het besluit van 14 januari 2008 verwezen naar het in onderdeel B1/4.3 van de Vc 2000 opgenomen beleid, zoals dat luidde ten tijde van belang. Volgens onderdeel B1/4.3.2, dat handelt over de duurzaamheid van de middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.75 van het Vb 2000, dient, voor zover hier van belang, door de aanvrager of door degene bij wie verblijf wordt beoogd aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken te zijn gewerkt en in die gehele periode een inkomen uit arbeid in loondienst te zijn verworven dat ten minste gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm in de zin van de Wwb. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat – zij het na het besluit van 14 januari 2008 - die passage is aangepast in die zin dat het vereiste dat het inkomen uit arbeid in loondienst ten minste gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm in de zin van de Wwb, is vervallen. De strekking van het beleid is evenwel in dit opzicht niet veranderd aangezien dit onderdeel van de Vc 2000, zoals gewijzigd met ingang van 11 mei 2008, vermeldt dat als duurzaam conform artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 wordt beschouwd het minimale bedrag uit arbeid in loondienst dat in de driejaarsperiode is verdiend en dat vervolgens moet worden getoetst of deze inkomsten ook als voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74 van het Vb 2000 kunnen worden beschouwd. Ingevolge artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wwb. Deze bijstandsnormen zijn vastgesteld op bedragen per maand. De uitleg die de minister in zijn besluit van 14 januari 2008 geeft aan artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 is derhalve, gelet op het voorgaande en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, terug te voeren op het hiervoor weergegeven beleid. Voor het oordeel dat dit beleid niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt, bestaat geen aanleiding. De tekst noch de strekking van artikel 3.75 van het Vb 2000 verzetten zich tegen de uitleg dat, in een geval als dit waarin de middelen van bestaan uitsluitend uit arbeid in loondienst zijn verworven, deze gedurende een ononderbroken periode van drie jaren voldoende moeten zijn als bedoeld in artikel 3.74 van het Vb 2000. Het oordeel van de rechtbank, dat deze uitleg tot gevolg heeft dat in geval van flexibele arbeid, waarvoor kenmerkend is dat sprake is van een wisselende arbeidsomvang en daardoor wisselend inkomen, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden aan het bepaalde in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 zou kunnen worden voldaan, wat daarvan zij, kan niet tot de conclusie leiden dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot deze uitleg heeft kunnen komen. Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen.
Uitspraak
200808088/1/V1.
Datum uitspraak: 23 juni 2009
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2008 in zaak nr. 08/2533 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 14 januari 2008 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 november 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitleg die hij geeft aan artikel 3.75, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), dat gedurende de in die bepaling bedoelde periode van drie jaar maandelijks een inkomen ter hoogte van het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand (hierna: de Wwb) moet zijn verworven, niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt. Daartoe voert de minister aan dat in het licht van de samenhang tussen artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 en artikel 21 van de Wwb moet worden aangenomen dat de middelen van bestaan iedere maand voldoende dienen te zijn en het, anders de rechtbank heeft geoordeeld, niet is toegestaan één of meer maanden waarin het inkomen onvoldoende is te verrekenen met één of meer maanden waarin het inkomen het normbedrag overschrijdt, zodanig dat per kwartaal of op jaarbasis het inkomen gemiddeld voldoende is.
2.1.1. Voor verblijf hier te lande van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Met het oog hierop pleegt een aanvraag om verlening van een mvv door de minister te worden getoetst aan dezelfde criteria als die, welke gelden voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van zodanige vergunning.
2.1.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging verleend, voor zover hier van belang, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a.
Ingevolge artikel 3.74, aanhef en onder a, zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wwb, voor de desbetreffende categorie alleenstaanden, alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld.
Ingevolge artikel 3.75, eerste lid, zijn de in artikel 16, eerste lid, aanhef onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
Ingevolge artikel 3.75, derde lid, voor zover hier van belang, zijn, in afwijking van het eerste lid, middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een ononderbroken periode van drie jaren middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan gedurende nog zes maanden beschikbaar zijn.
2.1.3. In het besluit van 14 januari 2008, waarbij het besluit van 17 februari 2006 dat strekt tot afwijzing van de door de vreemdeling op 22 november 2005 bij de Nederlandse ambassade te Accra ingediende aanvraag om hem een mvv te verlenen ten behoeve van gezinshereniging met zijn moeder (hierna: referente) is gehandhaafd, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat referente en haar echtgenoot (hierna: referent) weliswaar beschikken over duurzame middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000, doch dat de middelen van bestaan niet als voldoende kunnen worden aangemerkt omdat zij in december 2005 en februari 2006 minder bedroegen dan de normbedragen als bedoeld in artikel 21 van de Wwb.
2.1.4. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat het besluit van 14 januari 2008, voor zover hier van belang, onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, ten grondslag gelegd dat de uitleg die de minister geeft aan artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000, dat gedurende de in die bepaling bedoelde periode van drie jaar maandelijks een inkomen ter hoogte van het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 21 van de Wwb moet zijn verworven, niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2007 in zaak nr. 200701664/1 (www.raadvanstate.nl) artikel 3.75 van het Vb 2000 is gewijzigd en dat de uitleg van de minister niet valt terug te voeren op het toepasselijke in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) opgenomen beleid dat ertoe strekt een oplossing voor de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt te bieden.
2.1.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan voor haar oordeel geen steun worden gevonden in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2007. In die uitspraak is overwogen dat de hoogte van het verworven inkomen niet bepalend is voor de duurzaamheid ervan, zodat een combinatie van gelijktijdig uit verschillende bronnen genoten inkomsten, mits die ieder voor zich duurzaam zijn, kan gelden als duurzame en voldoende middelen van bestaan. Een combinatie van gelijktijdig uit verschillende bronnen genoten inkomsten is thans niet aan de orde.
2.1.6. Ter zake van de toepassing van de artikelen 3.74 en 3.75 van het Vb 2000 is in het besluit van 14 januari 2008 verwezen naar het in onderdeel B1/4.3 van de Vc 2000 opgenomen beleid, zoals dat luidde ten tijde van belang.
Volgens onderdeel B1/4.3.2, dat handelt over de duurzaamheid van de middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.75 van het Vb 2000, dient, voor zover hier van belang, door de aanvrager of door degene bij wie verblijf wordt beoogd aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken te zijn gewerkt en in die gehele periode een inkomen uit arbeid in loondienst te zijn verworven dat ten minste gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm in de zin van de Wwb.
De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat – zij het na het besluit van 14 januari 2008 - die passage is aangepast in die zin dat het vereiste dat het inkomen uit arbeid in loondienst ten minste gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm in de zin van de Wwb, is vervallen. De strekking van het beleid is evenwel in dit opzicht niet veranderd aangezien dit onderdeel van de Vc 2000, zoals gewijzigd met ingang van 11 mei 2008, vermeldt dat als duurzaam conform artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 wordt beschouwd het minimale bedrag uit arbeid in loondienst dat in de driejaarsperiode is verdiend en dat vervolgens moet worden getoetst of deze inkomsten ook als voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74 van het Vb 2000 kunnen worden beschouwd.
Ingevolge artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wwb. Deze bijstandsnormen zijn vastgesteld op bedragen per maand.
De uitleg die de minister in zijn besluit van 14 januari 2008 geeft aan artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 is derhalve, gelet op het voorgaande en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, terug te voeren op het hiervoor weergegeven beleid.
Voor het oordeel dat dit beleid niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt, bestaat geen aanleiding. De tekst noch de strekking van artikel 3.75 van het Vb 2000 verzetten zich tegen de uitleg dat, in een geval als dit waarin de middelen van bestaan uitsluitend uit arbeid in loondienst zijn verworven, deze gedurende een ononderbroken periode van drie jaren voldoende moeten zijn als bedoeld in artikel 3.74 van het Vb 2000.
Het oordeel van de rechtbank, dat deze uitleg tot gevolg heeft dat in geval van flexibele arbeid, waarvoor kenmerkend is dat sprake is van een wisselende arbeidsomvang en daardoor wisselend inkomen, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden aan het bepaalde in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 zou kunnen worden voldaan, wat daarvan zij, kan niet tot de conclusie leiden dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot deze uitleg heeft kunnen komen.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 14 januari 2008 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de omstandigheid dat de inkomsten van referenten slechts twee maanden minder bedroegen dan de normbedragen als bedoeld in artikel 21 van de Wwb, voor de minister aanleiding had moeten zijn om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht af te wijken van het ter zake van artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 gevoerde beleid.
2.3.1. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, heeft de minister niet hoeven aanmerken als een omstandigheid die niet geacht kan worden bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die tot afwijking van dat beleid zou kunnen nopen.
2.4. In beroep heeft de vreemdeling voorts aangevoerd dat het besluit van 14 januari 2008 het onmogelijk maakt om gezinsleven met referenten uit te oefenen en daarom in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
2.4.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
2.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 23 maart 2007 in zaak nr. 200607511/1, JV 2007/186) wordt inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM in het algemeen aangenomen indien een verblijfstitel wordt ontnomen die de desbetreffende vreemdeling feitelijk tot uitoefening van zijn familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde.
Daarvan is in dit geval geen sprake.
2.4.3. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 18 maart 2003 in zaak nr. 59186/00, T.I. en W.S. Ebrahim tegen Nederland, JV 2003/203) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval de positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot familie- of gezinsleven in een bepaalde lidstaat, een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van die lidstaat. Bij deze afweging komt de desbetreffende lidstaat een zekere beoordelingsruimte toe.
2.4.4. In beroep is in dit verband aangevoerd dat referenten al lange tijd in Nederland wonen, dat een zeer hechte band bestaat tussen de vreemdeling en referenten, dat betrokkenen al jaren bezig zijn om de overkomst van de vreemdeling te bewerkstelligen en dat de vreemdeling zijn studie heeft onderbroken in de hoop deze in Nederland te kunnen voortzetten. Voorts is aangevoerd dat het niet mogelijk is het gezinsleven voort te zetten in Ghana. Referent is Nederlander en verwerft hier zijn bestaansmiddelen tezamen met referente. Hij is niet anders dan voor vakantiedoeleinden in Ghana geweest en het is voor hem dan ook niet mogelijk om zijn leven in Nederland op te geven om het in Ghana voort te zetten. Bovendien zal hij als Nederlander niet ongestoord langdurig verblijf in Ghana kunnen krijgen. Ook voor referente, die al geruime tijd in Nederland verblijft, is terugkeer naar Ghana niet aan de orde.
2.4.5. In het besluit van 14 januari 2008 is vermeld dat referente sinds 4 augustus 2003 met een geldige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland verblijft. Zij is Nederland ingereisd in het kader van gezinsvorming met als doel bij haar echtgenoot te verblijven. Referent wordt geacht een (sterke) band te hebben met het land van herkomst van referente, omdat hij en referente in 2000 naar Ghana zijn gereisd en zij daar een periode van drie jaar bij de familie van referente hebben verbleven. Voorts wordt aangenomen dat referent sterke banden heeft met Ghana omdat hij ten overstaan van een ambtelijke commissie op 17 april 2007 heeft verklaard dat hij en referente zich in Ghana willen vestigen indien de middelen toereikend zijn. Voorts is gebleken dat nog een aantal familieleden van referente woonachtig is in het land van herkomst, te weten twee dochters van referente, haar moeder, haar zus en haar broer. Verder is niet gebleken dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren en evenmin dat sprake is van een bijzondere situatie van het gezin van referenten in Nederland.
2.4.6. Niet weersproken is dat referent tezamen met referente geruime tijd in Ghana heeft gewoond. Dat het voor hem niet mogelijk is om zijn leven in Nederland op te geven om het in Ghana voort te zetten wordt dan ook niet aannemelijk geacht. Voorts is niet gebleken van bijzondere belangen van de zijde van referenten om het gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Gelet hierop heeft de minister niet ten onrechte geen zodanig bijzondere feiten en omstandigheden aanwezig geacht, dat uit het recht op het respect voor het familie- of gezinsleven van de vreemdeling voor de minister de positieve verplichting voortvloeit om ten behoeve van de overkomst van de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
2.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het besluit van 14 januari 2008 ongegrond is.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2008 in zaak nr. 08/2533;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. De Groot
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2009
210.
Verzonden: 23 juni 2009
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak
Bron: rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:35 PM
1 reacties
Links naar dit bericht
Labels: artikel 8 EVRM, duurzaam, gezinshereniging, gezinsleven, gezinsvorming, inkomen, middelen van bestaan, middelenvereiste, mvv, mvv-aanvraag, voldoende middelen van bestaan, vreemdelingenrecht
Beroep op Definitierichtlijn geen novum bij herhaalde asielaanvraag (uitspraak Raad van State)
LJN: BJ1596, Raad van State , 200900815/1/V2
Datum uitspraak: 25-06-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Herhaalde aanvraag / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / geen wijziging van het recht
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2; www.raadvanstate.nl, kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C 465/07; JV 2009/111, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk; JV 2008/329 - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Hieruit volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn niet kan worden aangemerkt als een wijziging van het recht.
Bron: rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:28 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 200900815/1/V2, asiel, Definitierichtlijn, herhaalde aanvraag, migratierecht, nova, novum, vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening getroffen door Raad van State in zaak van dublinclaim op Griekenland (uitspraak)
LJN: BJ1665, Raad van State , 200904216/2/V3
Datum uitspraak: 19-06-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Dublinverordening / toewijzing vovo / nader onderzoek
Hetgeen door de vreemdelingen in hoger beroep is aangevoerd vergt, mede in het licht van het arrest van het EHRM in de zaak S.D. tegen Griekenland van 11 juni 2009, nr. 53541/07 (www.echr.coe.int/echr), nader onderzoek, waartoe de onderhavige procedure zich niet leent. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, ziet de voorzitter daarom aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
Bron: www. rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:22 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 200904216/2/V3, asiel, asielzoekers, EHRM, Griekenland, interim measure, interim measures, Raad van State, uitspraak, uitzetten, vreemdelingenrecht
Somaliërs kunnen niet in vreemdelingenbewaring? (Uitspraak Raad van State)
Dat is de conclusie die ik uit deze uitspraak trek.
LJN: BJ1600, Raad van State , 200902298/1/V3
Datum uitspraak: 01-07-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Vreemdelingenbewaring / gronden bewaring / uitzetting / geen dwang bij vreemdelingen met Somalische nationaliteit
Voorts heeft de staatssecretaris ter toelichting van zijn grief aangevoerd dat de maatregel van bewaring ook kan worden opgelegd om de desbetreffende vreemdeling er toe te dwingen dat hij voldoet aan zijn vertrekplicht. Ook in dat geval is volgens de staatssecretaris sprake van uitzetting in de zin van de Vw 2000. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1, JV 2005/68), is, omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vw 2000 moet zijn gericht op uitzetting van de desbetreffende vreemdeling, inbewaringstelling in strijd met die bepaling, indien zicht op uitzetting ontbreekt. In artikel 1 van de Vw 2000 is geen omschrijving van het begrip uitzetting gegeven. Uit de memorie van toelichting bij de voordien geldende Vreemdelingenwet (Kamerstukken II, 1962-1963, 7163, nr. 3, p. 12) blijkt evenwel dat in het ontwerp van die wet de grondwettelijke term uitzetting is gebezigd voor alle gevallen van verwijdering met de sterke arm uit het Rijk. In paragraaf A4/1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bij deze omschrijving aangesloten. Het is bij uitstek de dwang waaronder het vertrek van de desbetreffende vreemdeling plaatsvindt die maakt dat sprake is van uitzetting. Die dwang wordt bij het vertrek van vreemdelingen met de Somalische nationaliteit naar hun land van herkomst door de staatssecretaris niet uitgeoefend. Naar de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling heeft verklaard, ontbreekt hem de mogelijkheid om een vreemdeling die terugkomt van zijn verklaring vrijwillig naar Somalië te vertrekken en niet langer wil terugkeren, toch onder dwang te doen terugkeren. Nu uitzetting het doel van bewaring is en de mogelijkheid daartoe in het geval van de vreemdeling ontbreekt, bestond voor het opleggen van die maatregel geen plaats. De grief faalt.
Bron: rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:13 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 200902298/1/V3, Somalische, Somalië, Somaliërs, uitzetten, uitzetting, vreemdelingenbewaring, vreemdelingendetentie, zicht op uitzetting
9 dagen niets doen aan uitzetting terwijl er een paspoort is is niet voortvarend handelen tijdens vreemdelingenbewaring (uitspraak Raad van State)
LJN: BJ1619, Raad van State , 200902859/1/V3
Datum uitspraak: 29-06-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / paspoort aanwezig / eerst op negende dag daadwerkelijke handeling
De vreemdeling is op woensdag 1 april 2009 in bewaring gesteld. Op vrijdag 3 april 2009 is hij overgeplaatst naar het Uitzetcentrum Schiphol (hierna: het UC). Op maandag 6 april 2009 is zijn dossier door de koeriersdienst opgehaald en dezelfde dag afgeleverd bij de Dienst Terugkeer & Vertrek op het UC. Op donderdag 9 april 2009 is door de regievoerder met de vreemdeling een vertrekgesprek gevoerd. Op vrijdag 10 april 2009 is ten behoeve van hem een vlucht naar Nigeria aangevraagd. Op vrijdag 17 april 2009 is de vreemdeling uitgezet. Het op 9 april 2009 met de vreemdeling gehouden vertrekgesprek en de op 10 april 2009 aangevraagde vlucht zijn wel aan te merken als handelingen die van directe betekenis zijn voor de uitzetting van de vreemdeling. Niet is gebleken dat de staatssecretaris vóór 9 april 2009 zodanige handelingen heeft verricht, dan wel dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de staatssecretaris niet is toe te rekenen dat hij zodanige handelingen niet heeft verricht. Dat de vreemdeling heeft geweigerd de benodigde medewerking aan zijn uitzetting te verlenen, is niet gebleken. Ook anderszins is niet gebleken dat er concrete beletselen waren om de op uitzetting gerichte handelingen eerder dan op 9 april 2009 uit te voeren. Door onder deze omstandigheden, eerst op de negende dag van de bewaring een aanvang te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in dit geval onvoldoende voortvarend gehandeld.
Bron: www.rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
1:01 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 200902859/1/V3, illegaal, negen dagen, onvoortvarend handelen, paspoort, uitzetten, uitzetting, voortvarend, vreemdelingenbewaring, vreemdelingendetentie, vreemdelingenrecht
Voortvarend handelen tijdens vreemdelingenbewaring (Uitspraak Raad van State)
LJN: BJ1651, Raad van State , 200903579/1/V3
Datum uitspraak: 17-06-2009
Datum publicatie: 06-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / gedurende 17 dagen geen op de uitzetting gerichte handelingen
De omstandigheid dat voorafgaand aan de inbewaringstelling van de vreemdeling een aantal vertrekgesprekken met hem is gevoerd, rechtvaardigt niet het achterwege laten van handelingen door de staatssecretaris gedurende een periode van zeventien dagen na de inbewaringstelling, omdat in deze gesprekken slechts de voortgang van het IOM-traject aan de orde was en de staatssecretaris na de inbewaringstelling gehouden was specifiek op de uitzetting gerichte handelingen te verrichten. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan het achterwege laten van bedoelde handelingen gedurende die periode als niet onvoldoende voortvarend zijn aan te merken, zijn niet gesteld of gebleken. Derhalve is niet voldaan aan de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid.
www.rechtspraak.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:56 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 17 dagen, 200903579/1/V3, illegaal, illegalen, onvoortvarend handelen, uitzetting, uitzettingshandeling, voortvarend, vreemdelingenbewaring, vreemdelingendetentie
Stille tocht voor vermoorde IND-er
De 57-jarige drummer van de Indorockband Challenge werd op 8 juni op klaarlichte dag neergeschoten.De verdachte bleek een collega van Makadoero van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst. Hij gaf zich later die dag zélf aan bij de politie. Naar verluidt lag de moord in de relatiesfeer.
De stille tocht begon op de hoek van de Sir Winston Churchilllaan en de Huis te Landelaan in Rijswijk, waar Ron Makadoero werd neergeschoten.
Beluister het radioverslag hier: http://leiden.westonline.nl/mms_audio/2009/0707%20Stille%20tocht%20Ron%20Makadoero.mp3
Bron: http://leiden.westonline.nl/nieuwsitem/32237
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
12:11 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Immigratie- en Naturalisatiedienst, IND, IND-er, Makadoero, moord, Rijswijk, Ron, stille tocht
05 juli 2009
Kamerstukken over onderwerpen op het gebied van het vreemdelingenrecht en de multi-culturele samenleving vanaf eind juni 2009 tot heden
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 72 KB
Pagina 1 van 4 Directoraat-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Directie Wetgeving Sector Privaatrecht Ons kenmerk 5609439/09/6 Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. De Nederlandse overheid spant ... Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z12973%20sharia-rechtbanken_15426_tcm34-201446.pdf?cp=34&cs=580
Beantwoording kamervragen van het lid spekman over de afspraken met griekenland
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 68 KB
Pagina 3 van 3 Directoraat-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Directie Migratiebeleid / Juridische en Algemene Zaken Datum 1 juli 2009 Ons kenmerk 5607915/09 Tevens heeft het EHRM, voor zover bekend per 30 ... Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z11519%20antwoorden%20kamervragen%20over%20de%20afspraken%20met%20Griekenland_15391_tcm34-201434.pdf?cp=34&cs=580
antwoorden kamervragen inzake shariarechtbanken
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 72 KB
Pagina 1 van 4 Directoraat-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Directie Wetgeving Sector Privaatrecht Ons kenmerk 5609439/09/6 Uw kenmerk 2009Z12804 Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Voor het...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z12804%20Shariarechtbanken_15425_tcm34-201445.pdf?cp=34&cs=580
sharia-rechtspraak in Nederland
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 5 KB
(Ingezonden 2 juli 2009) 1 Bent u bekend met de uitzending van Netwerk 1) waarin van verschillende kanten werd bevestigd dat in Nederlandse moskeeën aan sharia-rechtspraak wordt gedaan? 2 Hoe beoordeelt u het dat de Nederlandse wet op deze manier...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z13165%20sharia-rechtspraak%20in%20Nederland_15424_tcm34-201897.pdf?cp=34&cs=580
Vijfde voortgangsrapportage Programma Eergerelateerd Geweld
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 64 KB
Maatschappelijke Preventie Nr. Resultaat (Doelstelling) Planning per mei 2008 Planning per juni 2009 Stand van zaken & toelichting 1. ondersteuning preventieve aanpak en bestuurlijke preventie in lokale pilots Slachtoffers en risicogemeenschappen ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/A%20Vijfde%20voortgangsrapportage%20Programma%20Eergerelateerd%20Geweld_15434_tcm34-201456.pdf?cp=34&cs=580
Beantwoording kamervragen over afspraken met Griekenland over het terugsturen van asielzoekers
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 82 KB
Datum 1 juli 2009 Onderwerp Beantwoording kamervragen van het lid Spekman (PvdA) over afspraken met Griekenland over het terugsturen van asielzoekers In antwoord op uw brief d.d. 2 juni 2009 met kenmerk 2009Z10156, deel ik u mee dat de ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z10156%20antwoorden%20kamervragen%20over%20afspraken%20met%20Griekenland%20over%20het%20terugsturen%20van%20asielzoekers_15393_tcm34-201436.pdf?cp=34&cs=580
Beantwoording kamervragen over interim measures van het EHRM tegen Nederland in overdrachten van asielzoekers aan Griekenland
Kamerstuk 02-07-2009 pdf-document 69 KB
Datum 1 juli 2009 Onderwerp Beantwoording kamervragen van de leden Heemelaar (GroenLinks) en van Velzen (SP) over interim-measures van het EHRM tegen Nederland in overdrachten van asielzoekers aan Griekenland In antwoord op uw brief d.d. 11 juni ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z11034%20antwoorden%20kamervragen%20Heemelaar%20en%20Van%20Velzen%20Griekenland_15392_tcm34-201435.pdf?cp=34&cs=580
Interculturalisatie in de tbs.
Kamerstuk 01-07-2009 pdf-document 92 KB
Datum 1 juli 2009 Onderwerp Interculturalisatie in de tbs 1. Inleiding In de vierde voortgangsrapportage Plan van Aanpak tbs/Vernieuwing forensische zorg en in mijn brief van 25 maart 2009 over onder meer Pro Justitia onderzoek is vooruitgelopen ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/Interculturalisatie%20in%20de%20tbs_15384_tcm34-201430.pdf?cp=34&cs=580
Antwoorden kamervragen over asiel voor een terrorismeverdachte.
Kamerstuk 01-07-2009 pdf-document 70 KB
Pagina 1 van 3 Directoraat-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Directie Migratiebeleid Juridische en Algemene Zaken Schedeldoekshaven 100 2511 EX Den Haag Postbus 20301 2500 EH Den Haag www.justitie.nl T 070 ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z08406%20antwoorden%20kamervragen%20asiel%20voor%20terrorismeverdachte_15366_tcm34-201053.pdf?cp=34&cs=580
Migratie factsheet van het lid De Krom. (Cijfers )
Kamerstuk 01-07-2009 pdf-document 81 KB
De beëindiging van het categoriale beleid voor Irakezen en Somaliërs zal naar verwachting óók effect hebben op het aantal migranten dat via gezinshereniging in Nederland wordt toegelaten. Voor die groep is de stijging een duidelijk gewenst ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/migratie%20factsheet_15370_tcm34-201056.pdf?cp=34&cs=580
antwoorden kamervragen inzake de huisvesting van asielzoekers
Kamerstuk 01-07-2009 pdf-document 65 KB
Datum 1 juli 2009 Onderwerp Beantwoording vragen van het lid De Krom (VVD) over de huisvesting van asielzoekers In antwoord op uw brief van 27 maart 2009 deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid De Krom (VVD) van uw Kamer over de ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z05729%20antwoorden%20kamervragen%20over%20de%20huisvesting%20van%20asielzoekers_15385_tcm34-201431.pdf?cp=34&cs=580
Beantwoording vragen over de vergoeding van contra expertise bij taalanalyses
Kamerstuk 30-06-2009 pdf-document 76 KB
Antwoord Een verzoek tot vergoeding van kosten van een contra-expertise moet worden ingediend bij de directie Beleid & Juridische Zaken van het COA. Antwoord Medewerkers van het COA beoordelen of de kosten van een contra-expertise voor vergoeding ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z08194%20antwoorden%20kamervragen%20over%20de%20vergoeding%20van%20contra-expertise%20bij%20taalanalyses_15354_tcm34-200786.pdf?cp=34&cs=580
Diverse toezeggingen inzake het vreemdelingenbeleid
Kamerstuk 30-06-2009 pdf-document 0.13 MB
Voorts geef ik u de stand van zaken ten aanzien van toezeggingen inzake leges, de onderdelen medisch en rechtsbijstand van de nieuwe asielprocedure, de herijking van het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, Steunpunt Perspectief ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/Diverse%20toezeggingen%20inzake%20het%20vreemdelingenbeleid_15337_tcm34-200783.pdf?cp=34&cs=580
Beantwoording vragen van het lid Fritsma (PVV) over het aanbieden van twee onder een kapwoningen aan asielzoekers
Kamerstuk 30-06-2009 pdf-document 65 KB
1 Antwoord Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de gemeente Winschoten zijn in gesprek over de vestiging van een permanent asielzoekerscentrum. Antwoord Zie het antwoord op vraag 1. Indien asielzoekers in woningen worden gehuisvest zal...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z09305%20antwoorden%20kamervragen%20over%20het%20aanbieden%20van%20twee%20onder%20een%20kapwoningen%20aan%20asielzoekers_15348_tcm34-200785.pdf?cp=34&cs=580
Antwoorden kamervragen over ouders die hun kind Ahmed Jan willen noemen.
Kamerstuk 29-06-2009 pdf-document 71 KB
Datum 29 juni 2009 Onderwerp Kamervragen van het lid Dibi inzake ouders die hun kind Ahmed Jan willen noemen In antwoord op uw brief van 29 mei 2009, nr. 2009Z10055, deel ik u mede dat de vragen van het lid van uw Kamer Dibi over ouders die hun ...
Voor meer lees hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z10055%20antwoorden%20kamervragen%20over%20ouders%20die%20hun%20kind%20Ahmed%20Jan%20willen%20noemen_15325_tcm34-200455.pdf?cp=34&cs=580
Antwoorden kamervragen over het bericht dat fraude wordt gepeegd om gezinsmigratie mogelijk te maken.
Kamerstuk 29-06-2009 pdf-document 69 KB
Tegen veertien verblijfgevers is aangifte gedaan wegens 1Algemeen Dagblad, 8 april 2009 Pagina 3 van 3 Directoraat-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken Directie Migratiebeleid Juridische en Algemene Zaken Datum ...
Meer hier: http://www.justitie.nl/images/2009Z07394%20bericht%20dat%20fraude%20wordt%20gepleegd%20om%20gezinsmigratie%20mogelijk%20te%20maken_15327_tcm34-200457.pdf?cp=34&cs=580
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:07 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Albayrak, bestuursrecht. IND, Griekenland, kamerstukken, kamervragen, Marokko, migratie, namenlijst, Sharia, Shariarechtbanken, taalanalyse, verblijfsvergunning, vreemdelingenbeleid
MK Amsterdam over paspoortvereiste en de vraag of de EU regelgeving in strijd is met artikel 8 EVRM (uitspraak)
LJN: BJ0893,President Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Amsterdam , AWB 07/24442, 07/24439
Datum uitspraak: 23-06-2009
Datum publicatie: 30-06-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Partner gemeenschapsonderdaan, procesbelang, paspoortvereiste, 8 EVRM
Nu niet uitgesloten is dat de vraag of eiser ten tijde van zijn relatie met de gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf had, relevant is voor de beoordeling van het recht op verblijf bij zijn huidige partner, in het bijzonder gelet op artikel 8 EVRM, neemt de rechtbank procesbelang aan. In Richtlijn 2004/38 en art. 8.13, derde lid van het Vb, is opgenomen dat voor de afgifte van een verblijfskaart een geldig paspoort is vereist. Niet in geschil is dat de identiteit tevens op andere, ondubbelzinnige wijze kan worden aangetoond. Eiser is hier niet in geslaagd. Niet valt uit te sluiten dat de omstandigheid dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet over een paspoort of ander document ter vaststelling van de identiteit kan beschikken relevant kan zijn bij de beantwoording van de vraag of hij op ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij niet meer in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk document. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen. Voor zover eiser betoogt dat het stellen van het identiteitsvereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM wordt dit, gelet op de hiervoor neergelegde interpretatie van dit vereiste, niet gevolgd door de rechtbank. Voor zover het beroep van eiser op dit artikel op andere gronden steunt, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag doen.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 07/24442 (beroep)
AWB 07/24439 (voorlopige voorziening)
V-nr: *
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter
in het geding tussen:
eiser /verzoeker [naam], geboren [datum] in 1986, van Angolese nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam,
en:
de staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 mei 2006 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. Het daartegen op 20 december 2006 ingestelde bezwaar is bij besluit van 11 mei 2007, verzonden op 16 mei 2007, ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen 28 dagen dient te verlaten.
Op 13 juni 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen het voormelde besluit op bezwaar ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 13 juni 2007 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2008. Aldaar zijn verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de partner [naam] van eiser. Namens verweerder is mr. W.G. Graafland verschenen. Bij beslissing van 4 december 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 januari 2009. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn partner. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2. Overwegingen
Wettelijk kader
1.1 Artikel 10 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38) luidt, voor zover van belang:
“1. Het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wordt binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag terzake vastgesteld door de afgifte van een document, "verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie" genoemd. Een verklaring dat de aanvraag om een verblijfskaart is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven.
2. Voor de afgifte van de verblijfskaart verlangen de lidstaten overlegging van de volgende documenten:
a) een geldig paspoort;”
1.2 Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is paragraaf 2 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het EG-Verdrag en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 is die paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.
1.3 In artikel 8.13 van het Vb 2000 is bepaald dat (onder meer) de vreemdeling bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf heeft voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c van het Vb 2000. Het derde lid van artikel 8.13 van het Vb 2000 schrijft voor dat bij de indiening van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument de vreemdeling onder meer een paspoort overlegt.
Beoordeling van het beroep
2.1 De door eiser ingediende aanvraag strekt tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat eiser een relatie had met iemand [naam] van Spaanse nationaliteit en woonachtig in Nederland.
2.2 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure, omdat hij nu een relatie heeft met een Nederlandse partner [naam], en het in de onderhavige procedure gaat om een declaratoir verblijfsrecht.
Subsidiair handhaaft verweerder het standpunt in het bestreden besluit dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen, omdat zijn identiteit en nationaliteit niet zijn aangetoond. Eiser heeft geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overgelegd, noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit aangetoond.
De stelling van eiser dat hij als minderjarige naar Nederland is gevlucht en derhalve niet in het bezit is van een paspoort, maakt dit niet anders. Het W-document waar eiser over beschikt, is geen geldig identiteitsdocument waarmee eiser zonder enige twijfel zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen.
Toetsing aan het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) staat buiten het toetsingskader van afgifte van een EU-verblijfsdocument, eiser kan een daartoe strekkende aanvraag indienen.
Van het horen is afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2.3 Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Eiser stelt zich op het standpunt dat er belang bestaat bij de onderhavige procedure, nu het voor een toekomstig recht op (voortgezet) verblijf van belang kan zijn of in de voorafgaande periode sprake was van verblijfsrecht.
Eiser heeft als derdelander die een relatie heeft met een burger van de Europese Unie een declaratoir verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht. Verblijfsweigering kan volgens eiser enkel als blijkt dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, niet vanwege het ontbreken van een paspoort. Bij verblijfsbeëindiging moeten bovendien alle feiten en omstandigheden worden meegewogen.
Nu dit niet is gebeurd, heeft verweerder niet van het horen van eiser af kunnen zien.
Eiser heeft voorts vergeefs getracht een paspoort te verkrijgen. Verweerder dient aan te geven waarom geen vrijstelling van het paspoortvereiste wordt verleend, aangezien dit naar nationaal beleid kan en het evenredigheidsbeginsel van artikel 12 van het EG-Verdrag hiertoe noopt.
Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat getoetst moet worden aan artikel 8 van het EVRM en dat louter door de gezinsband verblijfsrecht bestaat.
2.4 Met betrekking tot de vraag of eiser belang heeft bij (de voortzetting van) deze procedure, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor verblijf bij zijn huidige partner [naam] en dat de relatie met voornoemde [naam] vorige partner is verbroken. De rechtbank acht niet uitgesloten dat de vraag of eiser ten tijde van zijn relatie met [naam] bedoelde voormalige partner rechtmatig verblijf had, relevant is voor de beoordeling van het recht op verblijf bij zijn huidige partner, in het bijzonder gelet op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank neemt dan ook in de onderhavige procedure procesbelang aan. Het beroep is ontvankelijk.
2.5 Eiser stelt dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen op de grond dat zijn identiteit niet is vastgesteld. De rechtbank overweegt als volgt.
2.6 De rechtbank verwijst naar artikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.13, derde lid, van het Vb 2000. Daarin is expliciet opgenomen dat voor de afgifte van de verblijfskaart overlegging van een geldig paspoort is vereist. Vast staat dat eiser geen identiteitskaart of paspoort heeft overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) volgt dat aan de voorwaarden voor afgifte van het gevraagde verblijfsdocument eveneens is voldaan indien de vreemdeling op andere, ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser dat uit het gemeenschapsrecht volgt dat eiser ook zonder het ondubbelzinnig aantonen van zijn identiteit een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht en op grond daarvan aanspraak kan maken op het aangevraagde verblijfsdocument. De rechtbank vindt in de door eiser aangehaalde arresten van het HvJ EG, waaronder het arrest van 25 juli 2002, C-459/99, JV 2002, 291 (BRAX), r.o. 102, geen bevestiging van zijn stelling. Uit dit arrest volgt immers juist, dat van een uit een derde land afkomstige echtgenoot van een gemeenschapsburger kan worden verlangd het bewijs te leveren van (onder meer) zijn identiteit. Zo staat in rechtsoverweging 80 “(…) dat artikel 4 van richtlijn 68/360 en artikel 6 van richtlijn 73/148 aldus dient te worden uitgelegd, dat een lidstaat niet op grond van deze bepalingen een verblijfsvergunning kan weigeren aan een onderdaan van een derde land die het bewijs kan leveren van zijn identiteit [onderstreping rechtbank] en van zijn huwelijk met een onderdaan van een lidstaat, en hem niet van het grondgebied kan verwijderen, op de enkele grond dat hij het grondgebied van de betrokken lidstaat onregelmatig is binnengekomen.”
2.7 In geschil is verder of eiser zijn identiteit ondubbelzinnig heeft aangetoond. Eiser heeft in dit verband gewezen op het zogenoemde W-document dat hem in het kader van zijn asielaanvraag is verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de hand van dit document eisers identiteit niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld. Het betreft een document dat ertoe strekt aan te tonen dat de vreemdeling in afwachting is van een besluit of een rechterlijke beslissing omtrent een verblijfsvergunning asiel (zie artikel 3. 3, eerste lid, onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000). Het document wordt verstrekt op basis van de persoonsgegevens die de vreemdeling zelf bij zijn asielaanvraag heeft opgegeven. In dit geval is voorts van belang dat eisers asielaanvraag onherroepelijk is afgewezen omdat het relaas ongeloofwaardig is bevonden. Het voorgaande in aanmerking genomen, kan de identiteit van eiser niet met de vereiste mate van objectiviteit en zekerheid worden vastgesteld op grond van het W-document.
2.8 Eiser stelt verder dat hij buiten zijn schuld niet over een paspoort of ander document ter vaststelling van zijn identiteit kan beschikken. De rechtbank sluit niet uit dat de omstandigheid dat een vreemdeling buiten zijn schuld niet aan documenten ter vaststelling van zijn identiteit kan komen relevant kan zijn bij de beantwoording van de vraag of hij op ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. Uit de door eiser hiertoe overgelegde stukken kan echter niet worden opgemaakt dat eiser door de autoriteiten van zijn land van herkomst niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een paspoort dan wel een ander identiteitsdocument. Daartoe is onvoldoende dat een reactie van de Guinese ambassade te Brussel op door of namens eiser gedane verzoeken om afgifte van een dergelijk document is uitgebleven. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van eiser dat hij buiten zijn schuld niet aan documenten ter vaststelling van zijn identiteit kan komen.
2.9 Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank wijst er op dat artikel 8 van het EVRM deel uitmaakt van de grondrechten die volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG in de communautaire rechtsorde worden beschermd (zie hiervoor onder meer de arresten van het HvJ EG van 11 juli 2002, C-60/00 (Carpenter) en 27 juni 2006, C-540/03 (Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie). De Europese Gemeenschappen bieden een aanvaardbaar niveau van rechtsbescherming en als uitgangspunt geldt dat de EU-lidstaten het EVRM niet schenden door uitvoering te geven aan hun verplichtingen onder het gemeenschapsrecht. Deze presumptie kan worden weerlegd indien het in een individueel geval evident is dat het stelsel van rechtsbescherming haperde (zie EHRM 30 juni 2005, 45036/98, Bosphorus v. Ierland, en 20 januari 2009, 13645/905, Kokkelvisserij U.A. tegen Nederland). Voor zover eiser betoogt dat het stellen van het identiteitsvereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM, wordt dit niet gevolgd door de rechtbank. Immers, zoals hiervoor is overwogen is het mogelijk om de identiteit ook op andere wijze dan met een paspoort of identiteitskaart ondubbelzinnig aan te tonen en bestaat daarbinnen mogelijk enige ruimte om aan te tonen dat het buiten de schuld van de vreemdeling niet mogelijk is om over deze documenten te beschikken. Eiser heeft echter niet aangetoond dat hij zijn identiteit niet op andere wijze onomstotelijk kan aantonen, noch dat het voor hem onmogelijk is om over de bedoelde documenten te beschikken. Verder is van belang dat niet uitgesloten is dat eiser op een later moment alsnog aan dit vereiste kan voldoen. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank de communautaire eis om de identiteit ondubbelzinnig aan te tonen niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Voor zover het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM op andere gronden steunt, heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser hiervoor een daartoe strekkende aanvraag kan doen.
2.10 Over de beroepsgrond van eiser dat verweerder niet van het horen van hem in bezwaar heeft kunnen afzien, overweegt de rechtbank het volgende.
De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen betrokkene in eerste instantie heeft aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.
De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser kon worden afgezien. Reeds in de primaire beslissing is eiser tegengeworpen dat hij geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort heeft overgelegd, noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond. Eiser heeft in de gronden van bezwaar voorts niet aangevoerd dat hij alsnog een paspoort zou kunnen overleggen noch dat hij zijn identiteit op andere wijze zou kunnen aantonen. Daarnaast is in bezwaar niet gesteld dat het voor eiser onmogelijk is om over de bedoelde identiteitsdocumenten te beschikken. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond aangemerkt en afgezien van het horen. De beroepsgrond faalt derhalve.
2.11 Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
3. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.
Proceskosten en griffierecht
4. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
3. Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/24442,
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/24439,
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. R.H.G. Odink en H.M.L. Frons, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2009.
Bron: rechtspraak.nl
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
3:00 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 8 EVRM, buiten schuld, gemeenschapsonderdaan, identiteitsbewijs, paspoort, paspoortvereiste, verblijfsvergunning, vreemdelingenrecht, W-document
Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld door pas na ruim 5 weken een nieuw aanknopingspunt te onderzoeken in deze bewaringszaak (uitspraak)
LJN: BJ0862,President Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Amsterdam , AWB 09/20258
Datum uitspraak: 25-06-2009
Datum publicatie: 30-06-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Bewaring / onvoldoende voortvarend gehandeld
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Eiser heeft - onder meer – betoogd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank overweegt dat gelet op enerzijds de vruchteloze poging tot uitzetting in 2005 en de daarvoor op 25 maart 2009 door de Jamaicaanse autoriteiten gegeven reden - te weten dat het vermoeden was gerezen dat het originele paspoort waarmee eiser is uitgezet naar Jamaica op frauduleuze wijze was verkregen - en anderzijds de van de zijde van de Jamaicaanse autoriteiten eveneens op 25 maart 2009 verkregen concrete aanwijzingen inzake eisers Liberiaanse afkomst, welke zijn verduidelijkt op 20 april 2009, heeft verweerder ondanks het feit dat het lp-traject bij de Jamaicaanse autoriteiten nog loopt, niettemin onvoldoende voortvarend gehandeld door eerst op 29 mei 2009, vijf en een halve week later, de lp-aanvraag door te zenden naar de Liberiaanse autoriteiten. Daaruit volgt dat verweerder vanaf 21 april 2009 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de bewaring met ingang van die datum onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.
Bron: rechtspraak.nl
Vroeger was het vaste jurisprudentie dat de verweerder twee weken de tijd had om een nieuwe aanwijzing te onderzoeken als bleek dat er geen lp zou komen en er dus geen onmiddelijk zicht op uitzetting meer was.
Je ziet nu ook weer in de jurisprudentie een strictere lijn komen nadat een aantal jaren verweerder wel erg de losse teugel kreeg. Ook bijvoorbeeld bij Dublinclaims moet er nu wel snel gehandeld worden want anders is de bewaring ongegrond en ook las ik dat verweerder bij feestdagen maar vooruit moet plannen van de rechter.
src="http://pagead2.googlesyndication.com/pagead/show_ads.js">
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
2:44 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: Liberia, onvoortvarend handelen, voortvarend, voortvarendheid, vreemdelingenbewaring, vreemdelingendetentie, vreemdelingenrecht, zicht op uitzetting
Recente uitspraken inzake Somalische asielaanvragen (uitspraken)
De laatste week zijn er een paar knallende uitspraken in Somalische asielzaken binnengekomen. Albayrak zal niet blij zijn.
Somalische zaken bij beroep op 29 d niet AC, Politie is deskundig op het gebied van vingerafdrukken nemen, stukke vingers is frustratie en wachten tot ze beter zijn hoeft niet, binnenlands gewapend conflict, Categoriaal beschermingsbeleid onrechtmatig ingetrokken!
LJN: BJ1397, Rechtbank 's-Gravenhage , AWB 09/19177
Datum uitspraak: 19-06-2009
Datum publicatie: 03-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie: Somalië, afschaffing categoriaal beschermingsbeleid Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de vw 2000, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de AC-procedure, die gekenmerkt wordt door zeer korte termijnen, zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of de Staatssecretaris ten onrechte het beleid van categoriale bescherming ten aanzien van Somalië heeft geëindigd. Toewijzing voorlopige voorziening
LJN: BJ1400, Rechtbank 's-Gravenhage , AWB 09/19213 (verzoek) en AWB 09/19212 (beroep)
Datum uitspraak: 19-06-2009
Datum publicatie: 03-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Somalië, contra-indicatie, manipulatie vingertoppen, dactyloscopisch signalement kunnen worden als deskundigenberichten overweegt de voorzieningenrechter dat het afnemen van vingerafdrukken en de vergelijking daarvan in het DNRI-systeem behoort tot de vaste en dagelijkse werkzaamheden van de vreemdelingenpolitie, zoals ook blijkt uit het in paragraaf C11/1.2 van de Vc 2000 opgenomen beleid. Gelet hierop valt niet in te zien, althans niet zonder nadere motivering zijdens verzoekster, dat de vreemdelingenpolitie de deskundigheid zou missen om uitspraken te kunnen doen over mogelijke oorzaken van onduidelijke vingerafdrukken. Bovendien is in casu tweemaal, met een tussenpose van drie maanden, geprobeerd een dactyloscopisch signalement van verzoekster te verkrijgen. De voorzieningenrechter voegt hier nog aan toe dat verzoekster voorts geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen op grond waarvan aan het gestelde in de processen-verbaal zou moeten worden getwijfeld. Verzoekster heeft geen (plausibele) verklaring gegeven waarom haar vingertoppen zijn beschadigd. De eerst ter zitting gegeven verklaring acht de voorzieningenrechter ontoereikend. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt kon stellen dat verzoekster het dactyloscopisch onderzoek heeft gefrustreerd door manipulatie van de vingertoppen. De stelling van verzoekster dat het niet mogelijk is om binnen de kaders van de AC-procedure een contra-expertise te laten verrichten en dat hierom de besluitvorming onzorgvuldig is, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen, omdat verzoekster niet concreet aannemelijk heeft gemaakt voornemens te zijn een contra-expertise op te starten. Evenmin was verweerder gehouden, op grond van de bijzondere aanwijzing of anderszins, om nogmaals vingerafdrukken van verzoekster af te nemen. Uit het voorgaande volgt dat verweerder heeft mogen uitgaan van de juistheid van voormelde processen-verbaal en heeft verweerder zich op het standpunt mogen
stellen dat verzoekster het onderzoek heeft gefrustreerd, kennelijk met de bedoeling om in een gunstiger positie komen te verkeren. Dit heeft tot gevolg, met toepassing van de onder rechtsoverweging 13 weergegeven maatstaf, dat verweerder het asielrelaas ook voor het overige niet geloofwaardig heeft hoeven achten en daar niet inhoudelijk op heeft hoeven ingaan. Beroep ongegrond en afwijzing verzoek voorlopige voorziening
LJN: BJ1378, Rechtbank 's-Gravenhage , AWB 09/ 19454 (Verzoek) en AWB 09/19451 (beroep_
Datum uitspraak: 19-06-2009
Datum publicatie: 02-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat de besluitvorming onzorgvuldig is omdat hem onvoldoende tijd is gegeven om zijn vingers te laten herstellen overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder op drie verschillende momenten te heeft geprobeerd een dactyloscopisch signalement van verzoeker te vervaardigen. Tussen de eerste en de tweede poging zat een tussenpose van drie maanden. De omstandigheid dat verweerder op verzoek van verzoeker – zorgvuldigheidshalve – op 29 mei nogmaals heeft gepoogd vingerafdrukken af te nemen maakt dit niet anders, aangezien de in het proces-verbaal van 29 mei neergelegde bevindingen niet tot een ander oordeel leiden. Evenmin was verweerder gehouden, op grond van de bijzondere aanwijzing of anderszins, om nogmaals vingerafdrukken van verzoeker af te nemen. Zoals blijkt uit bovengenoemde processen-verbaal is driemaal geprobeerd een dactyloscopisch signalement te vervaardigen. Nu verzoeker geen (plausibele) verklaring heeft kunnen geven voor de slechte kwaliteit van zijn vingerafdrukken en hij geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen op grond waarvan aan het gestelde in de processen-verbaal zou moeten worden getwijfeld, bestond naar het oordeel van de voorzieningenrechter, geen aanleiding verzoeker nogmaals in de gelegenheid te stellen zijn vingerafdrukken te laten afnemen. Voor het standpunt van verzoeker dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en niet in overeenstemming is met de brief van de Staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 3 april 2009, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond. De voorzieningenrechter voegt hier nog aan toe dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat indien verzoeker meent dat zijn vingertoppen voldoende zijn hersteld om een dactyloscopisch signalement te kunnen vervaardigen, hij desgewenst een herhaalde asielaanvraag kan indienen, en dat verweerder daarbij - mogelijk - geen gebruik maakt van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. Uit het voorgaande volgt dat verweerder heeft mogen uitgaan van de juistheid van de processen-verbaal en heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker het onderzoek heeft gefrustreerd, kennelijk met de bedoeling om in een gunstiger positie komen te verkeren. Dit heeft tot gevolg dat, met toepassing van de onder rechtsoverweging 11 weergegeven maatstaf, verweerder het asielrelaas ook voor het overige niet geloofwaardig heeft hoeven achten en daar niet inhoudelijk op heeft hoeven ingaan. Beroep ongegrond en afwijzing verzoek voorlopige voorziening
LJN: BJ1374,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage , Awb 09/20095 en Awb 09/20093
Datum uitspraak: 26-06-2009
Datum publicatie: 02-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Somalie; artikel 31 lid 2 onder f Vw. Artikel 15 c DRL. Intern gewapend conflict. Louter door aanwezigheid. Beeindiging cbb niet rechtsgeldig. Vast staat dat verzoeker afkomstig is uit Mogadishu, Zuid-Somalië. Nu voorts vast staat dat er in Somalië sprake is van een binnenlands gewapend conflict, alsmede van willekeurig geweld gericht tegen burgers en in aanmerking nemend de aard van het geweld en de mate van geografische spreiding hiervan - hetgeen door verweerder als categoriaal beschermingswaardig is bevonden - is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met de enkele vaststelling in het voornemen, hetgeen is overgenomen in het bestreden besluit en als ingelast dient te worden beschouwd, dat de mate van willekeurig geweld niet dusdanig is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op schade zou lopen als bedoeld in de richtlijn. Verweerder heeft dit standpunt geenszins onderbouwd. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering en is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Verweerder is voorts van mening dat het ‘nieuwe’ beleid ten aanzien van Somalië waarin de categoriale bescherming is geëindigd, op de juiste wijze is bekendgemaakt en derhalve op 19 mei jl. in werking is getreden. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het voordien geldende (categoriale beschermings-) beleid nimmer rechtsgeldig is ingetrokken, als gevolg waarvan dat beleid nog altijd heeft te gelden. Ook het landgebonden asielbeleid voor Somalië zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is totnogtoe ongewijzigd gebleven. De bestreden beslissing is derhalve strijdig met verweerders beleid en daarmee in strijd met artikel 4:84 Awb. Beroep gegrond.
LJN: BJ1374,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage , Awb 09/20095 en Awb 09/20093
Datum uitspraak: 26-06-2009
Datum publicatie: 02-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Somalie. artikel 15 c DRL. Louter de aanwezigheid. Niet rechtsgeldige intrekking cbb. 1. Door verweerder wordt de door verzoeker gestelde afkomst niet in twijfel getrokken. Derhalve staat vast dat verzoeker afkomstig is uit Halgan, provincie Hiraan. Nu vaststaat dat er in Somalië sprake is van een binnenlands gewapend conflict, alsmede van willekeurig geweld gericht tegen burgers en in aanmerking nemend de aard van het geweld en de mate van geografische spreiding hiervan - hetgeen door verweerder als categoriaal beschermingswaardig is bevonden - is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met de enkele vaststelling dat de mate van willekeurig geweld niet dusdanig is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op schade zou lopen als bedoeld in de richtlijn. Verweerder heeft dit standpunt geenszins onderbouwd. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering en is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. 2. Verweerder is voorts van mening dat het ‘nieuwe’ beleid ten aanzien van Somalië waarin de categoriale bescherming is geëindigd, op de juiste wijze is bekendgemaakt en derhalve op 19 mei jl. in werking is getreden. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het voordien geldende (categoriale beschermings)beleid nimmer rechtsgeldig is ingetrokken, als gevolg waarvan dat beleid nog altijd heeft te gelden. Ook het landgebonden asielbeleid voor Somalië zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is totnogtoe ongewijzigd gebleven. De bestreden beslissing is derhalve strijdig met verweerders beleid en daarmee in strijd met artikel 4:84 Awb. Gegrond.
----tekst uitspraak----
2.10. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder de afkomst van verzoeker niet in twijfel trekt. Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn en het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Somalië voor zover dit hiervoor relevant is, wordt derhalve het volgende overwogen.
Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn wordt in de richtlijn verstaan onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.
Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit:
a) doodstraf of executie; of
b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Volgens artikel 18 verlenen lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.
2.11. In haar uitspraak van 25 mei 2009 (zaaknummer 200702174/2), rechtsoverweging 2.3.8, heeft de ABRS onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 17 februari 2009 ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn het volgende overwogen: " Uit rechtsoverweging 43 van het hierboven weergegeven arrest, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40, leidt de Afdeling af dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging."
Partijen verschillen van standpunt over de vraag of in Zuid- en Centraal-Somalië zich een uitzonderlijke situatie als bedoeld in bovenaangehaalde uitspraak voordoet, waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar deze gebieden louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging.
2.12. Door verweerder wordt de door verzoeker gestelde afkomst niet in twijfel getrokken. Derhalve staat vast dat verzoeker afkomstig is uit Halgan, provincie Hiraan, Centraal-Somalië. Voorts is niet in geschil dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een intern gewapend conflict. Bij besluit van 24 juni 2005 is een categoriaal beschermingsbeleid ingesteld voor Somalische vreemdelingen, die niet afkomstig zijn uit Somaliland, Puntland, met uitzondering van de provincies Sool en Sanaag. Het categoriaal beschermingsbeleid is nadien gecontinueerd en laatstelijk geactualiseerd bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire van 13 maart 2008 (WBV 2008/12). De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar de algemene ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de ambtsberichten die dateren van na de datum van instelling van het categoriaal beschermingsbeleid in 2005 dat de veiligheidssituatie in Somalië alleen maar is verslechterd. Volgens het algemeen ambtsbericht Somalië van maart 2009 is de veiligheidssituatie in geheel Zuid- en Centraal-Somalië onverminderd slecht. Er vonden geregeld gevechten tussen de diverse groeperingen plaats, waarbij veel burgerslachtoffers vielen. Ten aanzien van de mensenrechten is in het ambtsbericht van maart 2009 de volgende passage opgenomen:
"Het is moeilijk gedetailleerde informatie en cijfers over de situatie van de
mensenrechten te krijgen. Dit geldt met name, door de slechte veiligheidssituatie,
voor Centraal- en Zuid-Somalië. In algemene zin kan gesteld worden dat de
mensenrechtensituatie in Somalië in de verslagperiode onverminderd slecht is. Alle
groeperingen in het conflict maken zich schuldig aan schendingen van
mensenrechten door zonder aanzien des persoons burgers aan te vallen en zware
wapens en geïmproviseerde explosieven te gebruiken in dicht bevolkte gebieden." Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de informatie uit de ambtsberichten dat sprake is willekeurig geweld tegen personen. Dit strookt ook met het door verweerder gevoerde categoriale beschermingsbeleid, op grond waarvan bescherming wordt verleend aan vreemdelingen voor wie terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn, in verband met de algehele situatie aldaar. (Beperkte) individuele indicatoren zijn daarvoor niet vereist; de enkele aanwezigheid aldaar brengt al voldoende risico mee om het recht op bescherming te bewerkstelligen.
2.13. De voorzieningenrechter overweegt voorts als volgt ten aanzien van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in Somalië geen ‘uitzonderlijke situatie’ bestaat, in die zin dat er aldaar geen sprake is van een dusdanig hoge mate van willekeurig geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn. Verweerder heeft niet gesteld dat de veiligheidssituatie in Somalië is verbeterd. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het besluit tot afschaffing van het categoriaal beschermingsbeleid niet een wijziging in de veiligheidssituatie in Somalië ten grondslag is gelegd. Integendeel, verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit het algemene ambtsbericht van maart 2009 blijkt dat de situatie in het land nog immer zorgwekkend is. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat er echter door fraude en misbruik een situatie is ontstaan waarbij in een te groot deel van de Somalische asielaanvragen niet toetsbaar is of een ander (Europees) land verantwoordelijk is voor de aanvraag dan wel of de aanvrager afkomstig is uit een niet-beschermingswaardig land of deel van Somalië. Door de effecten op de instroom van Somalische asielzoekers in Nederland van de geconstateerde fraude en misbruik en het beleid van andere Europese landen is het categoriaal beschermingsbeleid volgens verweerder ongeschikt geworden om te bewerkstelligen dat aan de juiste personen bescherming geboden wordt in Nederland. De weging van de indicatoren in artikel 3.106 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is daarmee veranderd, zo stelt verweerder. De voorzieningenrechter stelt, gelet op de overwegingen van verweerder dienaangaande, vast dat verweerder zich echter niet op het standpunt stelt dat ten aanzien van de indicator zoals vermeld onder artikel 3.106, onder a, Vb 2000 een verandering heeft plaatsgevonden. Derhalve kan worden aangenomen dat de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld ongewijzigd zijn gebleven, althans niet zijn verbeterd.
2.14. Nu vaststaat dat er in Somalië sprake is van een binnenlands gewapend conflict, alsmede van willekeurig geweld gericht tegen burgers en in aanmerking nemend de aard van het geweld en de mate van geografische spreiding hiervan - hetgeen door verweerder als categoriaal beschermingswaardig is bevonden - is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met de enkele vaststelling dat de mate van willekeurig geweld niet dusdanig is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op schade zou lopen als bedoeld in de richtlijn. Verweerder heeft dit standpunt geenszins onderbouwd. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering en is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.
2.15. Verweerder is voorts van mening dat het ‘nieuwe’ beleid ten aanzien van Somalië waarin de categoriale bescherming is geëindigd, op de juiste wijze is bekendgemaakt en derhalve op 19 mei jl. in werking is getreden. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het voordien geldende (categoriale beschermings)beleid nimmer rechtsgeldig is ingetrokken, als gevolg waarvan dat beleid nog altijd heeft te gelden. Ook het landgebonden asielbeleid voor Somalië zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is totnogtoe ongewijzigd gebleven. De bestreden beslissing is derhalve strijdig met verweerders beleid en daarmee in strijd met artikel 4:84 Awb.
2.16. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht uitdrukkelijk te bepalen dat bij toewijzing van de voorlopige voorziening aan verzoeker opvang wordt geboden. Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 3, eerste lid, Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) bepaalt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers zorg draagt voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder d, Rva 2005 behoort tot de in het eerste lid bedoelde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden de vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend die niet binnen 48 procesuren, bedoeld in artikel 1.1, onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000, is afgewezen. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen, nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit deze bepalingen volgt dat, nu het bestreden besluit wordt vernietigd, verzoeker opvang geboden dient te worden.
2.17. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb gegrond verklaard. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.
2.18. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zijnde een bedrag van € 966,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
LJN: BJ1367,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage , Awb 09/19432 en 19433
Datum uitspraak: 26-06-2009
Datum publicatie: 02-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Somalie; artikel 31 lid 2 onder f Vw. Artikel 15 c DRL. Intern gewapend conflict. Louter door aanwezigheid. Beeindiging cbb niet rechtsgeldig. Vast staat dat verzoeker afkomstig is uit Mogadishu, Zuid-Somalië. Nu voorts vast staat dat er in Somalië sprake is van een binnenlands gewapend conflict, alsmede van willekeurig geweld gericht tegen burgers en in aanmerking nemend de aard van het geweld en de mate van geografische spreiding hiervan - hetgeen door verweerder als categoriaal beschermingswaardig is bevonden - is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met de enkele vaststelling in het voornemen, hetgeen is overgenomen in het bestreden besluit en als ingelast dient te worden beschouwd, dat de mate van willekeurig geweld niet dusdanig is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op schade zou lopen als bedoeld in de richtlijn. Verweerder heeft dit standpunt geenszins onderbouwd. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een deugdelijke motivering en is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Verweerder is voorts van mening dat het ‘nieuwe’ beleid ten aanzien van Somalië waarin de categoriale bescherming is geëindigd, op de juiste wijze is bekendgemaakt en derhalve op 19 mei jl. in werking is getreden. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het voordien geldende (categoriale beschermings-) beleid nimmer rechtsgeldig is ingetrokken, als gevolg waarvan dat beleid nog altijd heeft te gelden. Ook het landgebonden asielbeleid voor Somalië zoals opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is totnogtoe ongewijzigd gebleven. De bestreden beslissing is derhalve strijdig met verweerders beleid en daarmee in strijd met artikel 4:84 Awb. Beroep gegrond.
Bron: www.rechtspraak.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
2:18 PM
1 reacties
Links naar dit bericht
Labels: 09/20093, 09/20095, ac, asiel, asielaanvraag, asielzoeker, binnenlands gewapend conflict, categoriaal beschermingsbeleid, categoriale bescherming, dactyloscopisch, Somalische, Somalië
Wezenlijk Nederlands belang bij het vragen van een verblijfsvergunning voor mensen die hier een eigen bedrijf willen starten (uitspraak)
LJN: BJ1520, Rechtbank 's-Gravenhage , Awb 08/29501 & Awb 09/7017
Datum uitspraak: 03-07-2009
Datum publicatie: 03-07-2009
Rechtsgebied: Vreemdelingen
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie: Zoals deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 25 september 2009 (LJN: BG1902), eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 juni 2009 (AWB 08/29889, niet gepubliceerd en ter informatie van partijen aangehecht), is de gedachte achter het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’, dat de vreemdeling voorziet in een behoefte, waarin nog niet (voldoende) voorzien is. Wanneer de feitelijke situatie verandert - een bepaalde behoefte verdwijnt, of er wordt in voldoende mate in voorzien -, dan zal dat leiden tot een andere uitkomst. Dit mechanisme werkte op 1 januari 1973 niet anders dan nu, al waren toen de behoeften van de Nederlandse economie anders dan zij nu zijn. Het betoog van verzoeker, dat moet worden bezien of op 1 januari 1973 een vergunning zou zijn verleend - bezien naar de omstandigheden van 1 januari 1973 - moet derhalve worden verworpen. Het arrest Soysal brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid van verweerder zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, een redelijke invulling behelst van het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’. Bij gebreke aan concrete informatie - en nu het aan verzoeker is die zich beroept op de standstillbepaling is het aan hem om die informatie ter onderbouwing te leveren - is niet aannemelijk geworden dat, als in 1973 de economische situatie gelijk zou zijn aan de economische situatie ten tijde van het bestreden besluit, in 1973 wél een vergunning zou zijn verleend en daarmee niet aannemelijk is geworden dat thans een strenger criterium wordt gehanteerd of dat dit strenger wordt toegepast dan in 1973 het geval was. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat de standstillbepaling er niet aan in de weg dat verweerder na inhoudelijke toetsing aan de vereisten voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning en de vaststelling dat hieraan niet wordt voldaan, (alsnog) het mvv-vereiste aan verzoeker kan tegenwerpen.
----------------
II Overwegingen
1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningen¬rechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging.
1.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
1.3 Artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol van 23 november 1970 (Trb 1971, 70) bij de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije van 12 september 1963 (hierna: het Aanvullend Protocol) bepaalt dat de Overeenkomstsluitende Partijen onderling geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (hierna: standstillbepaling).
1.4 Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.
1.5 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid van de Vw bedoelde beperking verband houden met het verrichten van arbeid als zelfstandige.
1.6 Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die:
a. arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend;
b. uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en
c. voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.
1.7 Het beleid met betrekking tot vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen ten tijde hier van belang is neergelegd in B5/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
2 Verweerder heeft verzoekers aanvraag wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen eerst nadat door verweerder is geconcludeerd dat het huidige toelatingsbeleid voor arbeid als zelfstandige niet in strijd is met de standstillbepaling. Uit het door verzoeker ten behoeve van de aanvraag overgelegde is niet kunnen blijken dat daarmee een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend. De Minister van Economische Zaken heeft ter zake een negatief advies uitgebracht. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 maart 2004 (LJN: AO8112) en 20 mei 2005 (LJN: AT6747) stelt verweerder dat reeds is vastgesteld dat het begrip ‘wezenlijk Nederlands belang’, zoals dit naar voren komt in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a van het Vb 2000 en in hoofdstuk B5/7 van de Vc 2000, heden niet strikter gehanteerd wordt dan op
1 januari 1973.
3 Verzoeker kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Indien hem het criterium van het wezenlijk Nederlands economisch belang wordt tegengeworpen, dient dit te gebeuren met de inhoudelijke invulling die aan het criterium werd gegeven op het moment van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol op 1 januari 1973. Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat in strijd met de standstillbepaling het mvv-vereiste aan hem is tegengeworpen omdat aan het tegenwerpen het op 11 december 1998 in werking getreden artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, ten grondslag ligt. De datum van inwerkingtreding van de standstillbepaling ligt immers na 1 januari 1973. Ter zitting heeft verzoeker gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 februari 2009 in de zaak Soysal (LJN: BH4314).
4.1 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
4.2 Niet in geschil is dat het mvv-vereiste niet als zelfstandige afwijzingsgrond aan verzoeker kan worden tegengeworpen. Blijkens het bestreden besluit wijst verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’ af, omdat verzoeker met zijn (beoogde) bedrijfsactiviteiten geen wezenlijk Nederlands belang als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, van het Vb 2000 is gediend. Omdat verzoeker niet voldoet aan deze toelatingsvoorwaarde werpt verweerder het mvv-vereiste aan verzoeker tegen.
4.3 Niet in geschil is dat met de werkzaamheden die verzoeker als zelfstandige verricht, naar huidige maatstaven geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.
4.4.1 Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of hantering van het criterium dat met de werkzaamheden een wezenlijk Nederlands belang moet worden gediend, niet in strijd is met de standstillbepaling als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook op 1 januari 1973, bij de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol, een van de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige was, dat met de arbeid die de aanvrager als zelfstandige verricht of gaat verrichten een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend.
4.4.2 Zoals deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 25 september 2009 (LJN: BG1902), eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 juni 2009 (AWB 08/29889, niet gepubliceerd en ter informatie van partijen aangehecht), is de gedachte achter het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’, dat de vreemdeling voorziet in een behoefte, waarin nog niet (voldoende) voorzien is. Wanneer de feitelijke situatie verandert - een bepaalde behoefte verdwijnt, of er wordt in voldoende mate in voorzien -, dan zal dat leiden tot een andere uitkomst. Dit mechanisme werkte op 1 januari 1973 niet anders dan nu, al waren toen de behoeften van de Nederlandse economie anders dan zij nu zijn. Het betoog van verzoeker, dat moet worden bezien of op 1 januari 1973 een vergunning zou zijn verleend - bezien naar de omstandigheden van 1 januari 1973 - moet derhalve worden verworpen. Het arrest Soysal brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.
4.4.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid van verweerder zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, een redelijke invulling behelst van het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’. Bij gebreke aan concrete informatie - en nu het aan verzoeker is die zich beroept op de standstillbepaling is het aan hem om die informatie ter onderbouwing te leveren - is niet aannemelijk geworden dat, als in 1973 de economische situatie gelijk zou zijn aan de economische situatie ten tijde van het bestreden besluit, in 1973 wél een vergunning zou zijn verleend en daarmee niet aannemelijk is geworden dat thans een strenger criterium wordt gehanteerd of dat dit strenger wordt toegepast dan in 1973 het geval was.
4.5 Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter hantering van het criterium ‘wezenlijk economisch belang’ niet strijdig is met de standstillbepaling en verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de werkzaamheden die verzoeker als zelfstandige verricht, geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat de standstillbepaling er niet aan in de weg dat verweerder na inhoudelijke toetsing aan de vereisten voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning en de vaststelling dat hieraan niet wordt voldaan, (alsnog) het mvv-vereiste aan verzoeker kan tegenwerpen.
Bron: www.rechtspraak.nl
Geplaatst door
vreemdelingenrecht.com
op
2:07 PM
0
reacties
Links naar dit bericht
Labels: 08/29501, 09/7017, belang, BJ1520, eigen bedrijf, nederlands, ondernemer, Rechtbank 's-Gravenhage, standstill, verblijfsvergunning, werkvergunning, wezenlijk
Lekker gemakkelijk: Neem een e-mail abonnement op deze blog
Een abonnement kost u niets. Het enige wat u hoeft te doen is op onderstaande link te klikken en later er om te denken dat u uw wens bevestigt (u krijgt hiervoor een engelstalig mailtje van feedburner dus let op uw spamfilter!!!!)
Subscribe to Vreemdelingenrecht.com blog by Email











